0 Ons Camers 1e 08






Terug naar index

Ons Camers v� Rhetorike

Contactadres en verantwoordelijke uitgever:
Verbond van de Kamers van Rhetorica vzw.

Emiel Francois
Louis Callebautstraat 50
B 9320 Nieuwerkerken,
e-mailadres : emiel.francois@skynet.be
website : www.rederijkers.org
20de jaargang nr 1

21ste jaargang nr 1
In dit nummer ...

Woordje van de voorzitter

Beste vrienden Rederijkers,
2008 is een belangrijk jaar voor het Verbond.
25 jaar geleden werd een eerste congres gehouden te Antwerpen.
Dit was de start van een onafgebroken werking tot op vandaag
Na enig speurwerk kwamen wij tot de vaststelling dat dit de derde maal is dat een rederijkersverbond werd opgericht .
Het is tot op heden de langste periode dat een Verbond stand hield en dit niettegenstaande het een periode met ups en downs was, waarin de werking van vele Kamers onder grote druk stond.
Maar ondanks dit alles werd stand gehouden en kijken wij vol vertrouwen naar de toekomst.
Het is dan ook met fierheid dat ik namens de Raad van Bestuur kan aankondigen dat wij tijdens het komende congres te Aalst een nieuwe Kamer in ons midden kunnen opnemen.
Het is een teken aan de wand dat de rederijkerij niet dood is , maar integendeel springlevend , daar waar in de Kamers de nodige aandacht geschonken wordt aan de positieve ingesteldheid van de leden en hun werking .
Ook het Verbond is volop actief . Een verrassingspakket wacht alle deelnemende kamers aan het komende congres.
Om deze werking in stand te houden doen wij dan ook een warme oproep aan allen die om een of andere reden hun lidmaatschapsbijdrage nog niet hebben voldaan , dit vandaag nog te willen doen.

Met vriendelijke rederijkersgroet,
Emiel Fran�ois
Voorzitter

Geschiedenis van de rederijkerij

(deel 49/3 & 50 )

Beeldenstorm | hagepreken | smeekschrift | Gent | fasen |

Verder in de brief wordt het verdacht karakter van de rederijkersbijeenkomsten nogmaals onderstreept door de slotzin: "puis qu' il n'en peult venir du bien, mais plustost scandale en inconvénient.". Hierbij dient ook de grote moeite die de overheid bewerkstelligt om het tornooi te Ronse te beletten, vermeld te worden. Er wordt aan iedere deelnemende kamer (vier van Oudenaarde en een van Kortrijk, naast die van Ronse zelf) een weigeringbrief gestuurd, met daarnaast ook nog eens een verwittigingbrief aan het stadsbestuur van Ronse. In deze brief houdt de overheid wel degelijk rekening met de mogelijkheid dat de rederijkers, ondanks alle verbodsbepalingen, toch alles in het werk zullen stellen om toch bijeen te komen. Daarom vraagt de landvoogdes de schepenen te Ronse om erop toe te zien dat dit in geen geval zou gebeuren: "Vous en ayant bien voulu advertir pour vous requérir et de par sa Majesté ordonner, si vous appercevez que iceulx de Renaix ou Aultres voullissent se advancer à faire celles assemblées que vous y obviez a votre taour sans aucunement les admestre.".

In 1565, het jaar voor de wervelende beeldenstorm die vooral Vlaanderen en Brabant zal teisteren, heeft er te Brussel nog een belangrijk rederijkersfeest plaats. Dit zal echter in de zuidelijke Nederlanden het laatste worden in de 16de eeuw. Want, in 1563, het einde van het Concilie van Trente, begint definitief het roomse tegenoffensief. Op 03 juli 1566 verschijnt er bijvoorbeeld een uiterst zwaar plakkaat tegen de haagprekers. Het wantrouwen van het centraal bestuur tegenover de rederijkers wordt op dat ogenblik zo sterk, dat bvb. de Gentse schepenen zich in 1566 verplicht zien, om de uitkering van de jaarlijkse stadssteun van 12 pond, die sinds 02 augustus 1532 aan de Gentse kamers werd gegeven, nu stop te zetten. Dit zal voor de Gentse rederijkers wellicht een zware klap geweest zijn, die hun sterk achteruitlopende financiële middelen nog meer verminderd zien.

Veel groter zal echter het psychologisch effect van deze maatregel zijn. Want, na meer dan dertig jaar innige samenwerking, verliezen de kamers hun vertrouwen in het stadsbestuur en worden zij nu - in ieder geval officieel - gerangschikt in het gevaarlijke kamp van de verdachte groeperingen. Na het midden van de 16de eeuw komt de samenwerking tussen de overheid, stad en rederijkers op een laag pitje te staan. De oorzaak hiervan is de sympathie van sommige rederijkers voor de Hervorming en de rampzalige, religieuze politiek en dito acties van Filips II.
En er zijn nog meer nieuwe problemen op komst. De reeds vermelde Beeldenstorm, Alva, de Raad van Beroerten... De Gentse rederijker Jan Onghenae wordt in 1568 opgehangen. In 1569 wordt Jan Lautte gewurgd en nadien verbrand. De ruggengraat van de rederijkerij zal grotendeels gebroken zijn.
In het vorige deel maakten wij kennis met nog een hele resem nieuwe plakkaten gericht tegen de verspreiding van de 'nieuwe' godsdiensten en het gemor bij het volk en de edelen. In dit deel van de Geschiedenis van de Rederijkerij behandelen we de Beeldenstorm, die een allesvernietigend spoor zal achterlaten in de zuidelijke en noordelijke Nederlanden.

De Beeldenstorm
Wat vooraf ging :

Eén van de opmerkelijkste uitingen van het ongenoegen tegen de toenmalige heersers, is wellicht de Beeldenstorm. Na het ondertekenen van de Vrede van Cateau-Cambrésis in 1559 kan Filips II eindelijk zijn lang gekoesterde wens in vervulling laten gaan en naar Spanje terugkeren. Vóór zijn vertrek uit de Nederlanden laat hij, opmerkelijk, geen nieuwe plakkaten tegen de ketters uitvaardigen. Wel beveelt hij uitdrukkelijk om de plakkaten van zijn vader Karel V streng toe te passen. Als plaatsvervanger benoemt hij zijn halfzuster Margaretha van Parma. Volgens de geheime instructies die hij bij zijn vertrek meegeeft, moet zij zich laten adviseren door de Raad van State en de Geheime Raad. In gewichtige aangelegenheden moet zij, naast Vigilius, president van de Raad van State en Berlaymont, chef van de Raad van Financiën, vooral Granvelle raadplegen. Na verloop van tijd voelen de hogere edelen zich achteruit gesteld omdat belangrijke zaken achter hun rug worden afgehandeld.

In maart 1564 verlaat Granvelle de Nederlanden. De hoge edelen voeren van nu af aan een beleid van radeloosheid en volstrekte stelselloosheid. In de Hoge Raad willen de hoge edelen zich met alles inlaten, ook met de zaken die tot de bevoegdheid behoren van de twee andere raden. Er ontstaat een ontzettende wanorde, die de goede gang van de administratie ten zeerste belemmert.
Overal tieren favoritisme en willekeur welig, de kracht van de wetten verzwakt en de strijd tegen de verspreiding van nieuwe geloofsopvattingen vermindert. De stadhouders wensen hun bevoegdheden in de eigen provincies uit te breiden. Eind december 1564 wordt in de Raad van State het besluit genomen graaf Egmont naar Spanje te zenden, om op die manier Filips II mondeling in te lichten over de noden en ellende van zijn noordelijke erflanden. In de officiële instructie die aan Egmont gegeven wordt, liggen niet alleen wensen, klachten en verzuchtingen vervat die aan Filips II moeten overgebracht worden. Egmont moet hem nog andere punten van ongenoegen kenbaar maken. Zo wenst Oranje dat de Geheime Raad en de Raad van Financiën ondergeschikt zouden gemaakt worden aan de Raad van State.

Egmont wordt in Spanje met alle aan hem verschuldigde honneurs ontvangen. Hij wordt onder persoonlijke gunsten bedolven, maar slaagt er niet in om iets van betekenis voor de Nederlanden te bewerkstelligen. Het antwoord van Filips II laat maandenlang op zich wachten. In de brieven opgesteld te Segovia onder ingeving van zijn geheime agent in de Nederlanden, Fray Lorenzo de Villavicencio, luidt het antwoord: geen hervorming van de regeringsraden, geen bijeenroeping van de Staten-Generaal, maar WEL een strengere vervolging van de ketters. Margaretha van Parma is door de inhoud van de brieven zo teleurgesteld, dat ze deze gedurende verscheidene dagen niet aan haar raadslieden durft mee te delen. De leden van de Geheime Raden geven haar het advies om Filips' antwoord zo lang mogelijk stil te houden.
Onder impuls van Oranje besluit de Raad van State om de inhoud van de brieven integraal bekend te maken. In een omzendbrief deelt de landvoogdes aan alle gouverneurs en hoven van justitie de verstrengde maatregelen mee die door Filips II op godsdienstig gebied voorgeschreven zijn.

De bekendmaking van de brieven van Filips II verwekken in het ganse land hevige beroering. Aanplakbrieven, pamfletten en paskwillen verspreiden het gerucht dat de koning de beruchte Spaanse Inquisitie ook in de Nederlanden wil invoeren. Op dat ogenblik wordt de godsdienstkwestie een zaak van iedereen. De agitatie in de Nederlanden wordt opgevangen door een groep van lagere edelen met onder hen talrijke hervormden.

Op de vergadering van de Raad van State, eind december 1564, beraadslagen de aanwezigen ook over de dringend te treffen maatregelen op godsdienstig gebied. Oranje betoogt dat men Filips II moet proberen te overtuigen om zijn strengheid tegen de ketterij te laten varen. Het was niet langer doenbaar om de ketterij, zoals vroeger, te bestrijden door de plakkaten, de inquisiteurs, de bisschoppen en de decreten van het Concilie van Trente. De strenge eisen door Filips II via Egmont gesteld vanuit Spanje aangaande de kettervervolging, de verscherping van de Inquisitie en van de toepassing van de plakkaten zijn in hun ogen een zware tactische vergissing.

Sinds het vertrek van Granvelle, ijveren de hoge edelen voor het verzachten van de plakkaten, het afschaffen van de Inquisitie en het tollereren van de hervormingsgezinde religies. Talrijke gerechtelijke en stedelijke magistraten saboteren de toepassingen van de plakkaten, hetzij uit godsdienstige onverschilligheid, hetzij uit hervormingsgezindheid, hetzij uit politieke voorzichtigheid.
Door de heersende gezagscrisis, is er echter geen enkel middel om die verhouding te wijzigen.

Onder impuls van de stad Brugge beginnen de Vier Leden van Vlaanderen een verzetsactie tegen het optreden van inquisiteur Pieter Titelmans, nadat de Brugse magistraat geweigerd heeft het gerechtelijk dossier van gevangen ketters aan de bisschop over te maken.

Als het negatieve resultaat van Egmonts zending bekend raakt door de instructies die hij uit Spanje meebracht, vinden er te Spa besprekingen plaats tussen de lutheraan Lodewijk van Nassau, de vurige calvinistische edelen Jan van Marnix, heer van Thoulouse, en Nicolas de Hames, en het kerkraadslid Gilles le Clercq. Zij overwegen de oprichting van een verbond met het doel gewetensvrijheid te verdedigen.

Na de bekendmaking van de inhoud van de Spaanse brieven, komen een twintigtal jonge edelen in Brussel bijeen in het huis van de graaf van Culemborg. Zij besluiten tot de oprichting van een verbond dat tot doel heeft een einde te maken aan de Inquisitie en de plakkaten te doen verzachten. Er wordt een manifest opgesteld, dat in de volgende maanden door meer dan 500 edelen, zowel katholieken als hervormingsgezinden, ondertekend wordt.

Smeekschrift
Op 05 april 1566 houden een tweehonderdtal leden van het verbond der edelen een mars op Brussel. Brederode biedt Margaretha van Parma een smeekschrift aan, waar onder meer de voorlopige schorsing van de Inquisitie en de plakkaten wordt gevraagd, tot het moment dat Filips II in overleg met de Staten- Generaal de godsdienstzaken in een definitieve vorm zou hebben gegoten. Margaretha van Parma belooft dat zij in afwachting van een model van moderatie van de plakkaten, de inquisiteurs en magistraten zal verzoeken om bescheiden te werk te gaan.
Dadelijk worden overal valse geruchten verspreid in verband met het antwoord van de regentes. Ondanks de officiële logenstraffing, beelden de hervormden zich in dat alles nu toegelaten is. Talrijke bannelingen, vaak verbitterd door de lange ballingschap, keren naar de Nederlanden terug.

Maar Filips II blijft onwrikbaar, zelfs na de verzoeningspoging van graaf Egmont in 1565 en in 1566 van het gezantschap bestaande uit Jan van Glymes, markies van Bergen, en Floris van Montmorency, baron van Montigny. Filips II wil geen enkele afwijking van het ware rooms-katholieke geloof toestaan, maar wil het, integendeel, volledig handhaven. In Vlaanderen duikt voor Margaretha van Parma een pijnlijk dilemma op: ofwel gehoorzaamt ze aan haar Spaanse halfbroer, ofwel laat ze haar eigen landgenoten bepaalde godsdienstvrijheden toe, wat eigenlijk de belangrijkste voorwaarde is voor het noodzakelijke herstel van de rust. De keuze was des te moeilijker, daar vele edelen en tot dan als trouwe en eerbaar bekende burgers zich nu openlijk tot de hervorming bekeerden. Verschillende stadsbesturen werden overrompeld met aanvragen om toleranter te zijn inzake het toepassen van de plakkaten en het toewijzen van gebouwen waarin de nieuwe erediensten beleden zouden kunnen worden.

De toestand wordt alsmaar meer gespannen, zeker in de Vlaamse textielsteden, waar een groot proletariaat bestaat. De Beeldenstorm begint dan ook in Vlaanderen en slaat van daaruit over naar de andere gewesten. Niet alleen economische, maar dus ook godsdienstige en politieke motieven kunnen als aanleiding tot de stormen aangewezen worden. Dezelfde factoren die trouwens aan de basis zullen liggen van de algehele opstand kort hierna tegen Filips II. Op 03 juli 1566 verschijnt een plakkaat dat rechtsreeks tegen de hagepreken gericht is. Door de durende gezagscrisis in de Nederlanden blijft dit plakkaat echter dode letter.

Op dat ogenblik is er dan ook een sfeer van toenemende onzekerheid en verwarring ontstaan. Hiervan gebruik makend, kwamen vele gevluchte en verbannen heethoofden naar onze gewesten terug. Deze heethoofden sleurden, vooral in Zuidwest- Vlaanderen, waar de sociale nood reeds eeuwen groot was, het gewone volk mee in een oproer die zich vooral richtte op het vernielen van de symbolen van de rooms-katholieke aanwezigheid.

Hagepreken
We weten inmiddels dat Filips II de kettervervolgingen streng laat doorvoeren. Door talrijke doodvonnissen wekt hij overal ontevredenheid, angst en haat. Maar dit remt in geen geval de aangroei van lutheranen en calvinisten. In 1562 en de daaropvolgende jaren worden overal in Vlaanderen en Brabant, vooral in bossen, geheime bijeenkomsten georganiseerd. Al gauw zal de overheid nog strengere maatregelen tegen de hagepreken nemen. Een in 1566 te Antwerpen gehouden synode besluit overal te lande hagepreken te organiseren. Op deze steeds talrijker, weldra ook door gewapende mannen, bijgewoonde samenkomsten, verkondigen predikers dat men tot een 'zuiver' geloof moet terugkeren en dat de afgoderij, dat wil zeggen de beeldenverering, niet alleen uit het hart maar ook uit de ogen moet verdwijnen.

Vanaf eind juni 1566 brengen de hagepreken duizenden mensen op de been. Marcus van Vaernewijck getuigt dat hij tijdens de zomermaanden van 1566 te Gent ' up diveersche straten ende steghen vander stadt' groepen van wel tweehonderd tot driehonderd man psalmen hoorde zingen, ' mans ende vrouwen' gingen ' arm an arm al zynghende dees psalmen'. Op de markt zingen jongleurs liedjes, vaak tot spot van de geestelijkheid en met als laatste vers ' Vyve le gues', alsof, zo merkt Van Vaernewijck verder op, ' de geus nu de ouerhandt ghehadt hadden'. Verder vertelt hij in zijn ' Van die beroerlijcke tijden [..]' over de hagepreken: ' tontstack aestelic overal, als een vier dat, in stro ende stoppelen onsteken zijnde, metten winden herwaert ende ghinswaert ghedreven werd ende aldaar voetsel vindende, voorder en voorder ontsteect.'.

De Beeldenstorm breekt op 10 augustus 1566 los in het Westkwartier met name in het West-Vlaamse Steenvoorde en verwoest en ontheiligt in de hele Nederlanden ontelbare kerken, kloosters en abdijen. Twee maanden later wordt er nog gestormd in bijvoorbeeld Asperen. Vier maanden na het Banket van de Geuzen, luistert een groep vurige calvinisten in het kleine West- Vlaamse dorpje Steenvoorde naar de preek van de jonge, onstuimige predikant Sebastiaan Matte. Opgezweept door zijn woorden, snellen ze naar de naburige parochiekerk van Sint- Laurentius en gedreven door haat tegen de roomse afgodsdienaren verwoesten ze alles wat ze in de kerk ook maar kunnen vinden. Na 10 augustus verspreidden deze stormen zich langzaam.
Aanvankelijk over het Vlaamse platteland en enkele West- Vlaamse steden, later over de ganse Nederlanden.

Op 13 augustus predikt in Belle Jacob de Buyzere, een voormalige augustijn, en het Sint-Antonius-klooster ondergaat hetzelfde lot als de Sint-Laurentiuskerk. Op 14 augustus bezoekt Matte Poperingen, met hetzelfde gevolg. In de omgeving van Sint- Winoksbergen, in een gebied van ongeveer 400 km2, worden vijftig kerken bestormd. In de buurt van Kassel, in een gebied van 470 km2, worden de schatten van vijfenvijftig kerken, abdijen en kloosters vernield, standbeelden verwoest of onthoofd, glasramen stukgeslagen, altaarstukken omvergeworpen en gewaden verscheurd. Ook Oudenaarde komt aan de beurt. In dat jaar telt de stad trouwens zeven rederijkerskamers. Hiervan zegt Marcus van Vaernewijck in zijn ' Beroerlicke tijden [...]': ' Nieuvers in Vlaanderen, als men wel imagineert en wordt bet geobserveerd Retorica geprezen'.

Het bericht van de gebeurtenissen in het Westkwartier is te Antwerpen bekend op 16 augustus en doet de katholieken vrezen dat hun kerken en kloosters weldra hetzelfde lot zullen ondergaan. Vier dagen later, op 20 augustus is Antwerpen inderdaad aan de beurt. Op die dag breekt in de Antwerpse binnenstad de Beeldenstorm écht los, na enkele kleine incidentjes de dag voordien. Het stormen te Antwerpen zal een nog veel groter effect hebben. In en rond de stad blijven weinig kerk- en kloostergebouwen gespaard. Het Antwerpse stadsbestuur beveelt daarenboven de beeldenstormers hun gang te laten gaan. Het feit dat de 'storm' ook in de grootste stad van het land kon gebeuren, is het sein om hem te doen voortrazen in vele andere grote steden, zoals Gent en Mechelen.

Gent
In Gent krijgt het hele gebeuren een pseudo-sfeer van wettelijkheid. Hier tonen de leiders van de beeldenstorm, Lieven Onghena en Claudius Goetghebeur, een vervalste goedkeuring van de gaaf van Egmont aan de baljuw. Hierin geeft de stadhouder van Vlaanderen zogenaamd de opdracht om te Gent alle beelden te vernielen. Op die manier misleid en uit schrik voor het gepeupel vóór zijn woning, draagt de baljuw aan het volk op om dit bevel uit te voeren en stuurt zelfs enkele van zijn dienaren mee om bij de vernielingen te helpen! In minder dan 24 uur worden één collegiale en zeven parochiekerken, vijfentwintig kloosters, tien godshuizen en zeven kapellen onder handen genomen. Het 'Lam Gods', dat veilig wegborgen ligt op de vliering van de Sint- Janskerk (de huidige Sint-Baafskathedraal), beleeft één van zijn vele miraculeuze reddingen. Op 23 augustus worden de beeldenstormers buiten de stad geleid en storten ze zich op zesenveertig omliggende gemeenten en dorpen. In Oostwinkel krijgen ze de hulp van de pastoor en zijn kapelaan.

De plannen voor de Beeldenstorm in Gent zijn wellicht ten huize van Lieven Onghena gemaakt. Op 21 augustus komt bij hem een 'hoop grauw' bijeen en beslist om de volgende dag samen te komen op de Vismarkt en vandaar in een bepaalde orde, de kerken te gaan zuiveren. Na de vergadering begint men mannen te ronselen om de Beeldenstorm uit te voeren. De verwoestingen duren tot de volgende morgen. Marcus van Vaernewijck schrijft in zijn dagboek: ' De beeldenstormers, denkend god een dienst te bewijzen, hebben geen moeite gespaard en liepen de nacht door van de ene kerk naar de andere. Zij trokken langs de straten in groepen van dertig tot vijftig man, vrouwen en kinderen zongen psalmen en enkele mannen zongen ze voor. Zo zag ik er voor mijn deur, van twee tot drie uur wel tweehonderd voorbijgaan, en hoorde ze telkens tot de andere vragen: zijt gij hier of daar al geweest, en hebt ge deze of gene beelden op de hoeken van de straten al afgeworpen?'.

In Gent blijken de beeldenstormers uit alle klassen van de samenleving te komen. Onder de belangrijkste leiders en kapiteins vindt men niet één lompenproletariër in de echte zin van het woord. Naast welgestelde beeldenstormers zijn er zeker veel meer anderen. Er zijn gehuurde en betaalde brekers en er zijn lieden ' die van haerlieder soorte en belijdinghe niet recht en waren [d.i. geen calvinisten], die zochten onder 't decksel van dien quaet te doene, stelen ende roven.' aldus Marcus van Vaernewijck. In zijn ' Beroerlicke tijden [...]' kunnen we trouwens lezen, dat volgens hem de meeste beeldenstormers te Gent, afkomstig zijn van buiten Gent. Op 23 augustus 's morgens maakt de hoogbaljuw een einde aan de Beeldenstorm te Gent, en geeft de brekers de zonderlinge raad hun werk elders voort te zetten.

Het geweld breidt zich langzamerhand naar het Noorden en het Oosten uit. Op 21 en 22 augustus is Middelburg aan de beurt, en van 23 tot 29 augustus Doornik. Leuven en Brugge kunnen aan het geweld ontsnappen.

Na de beeldenstormen in Steenvoorde, Oudenaarde, Gent en Antwerpen, vreest Margaretha van Parma dat het geweld tegen de geestelijkheid en het Spaanse bewind ook te Brussel zou losbarsten. Eind augustus 1566 komt ze na lang aarzelen met het 'Compromis der Edelen' overeen dat men de preken, overal waar ze reeds uitgeoefend worden, officieel zou toelaten. Zij is er echter van overtuigd dat de Brusselse magistraat dit 'Akkoord' niet zal goedkeuren en zelfs zal beletten. Wat inderdaad ook gebeurt. Wanneer een groepje burgers bij de stadsmagistraat het recht komt opeisen om in het openbaar binnen de stad protestantse preken te houden en bij te wonen, krijgen ze als antwoord dat Margaretha van Parma dit helemaal niet heeft toegestaan en dat aan een soortgelijk verzoek geen gevolg zal gegeven worden. Op die manier ontsnapt ook Brussel aan de Beeldenstorm.
Op 23 augustus wordt Amsterdam geteisterd, en ook steden als Leiden en Utrecht ontsnappen niet aan het geweld, maar in tegenstelling met het Zuiden blijven hier vele gebieden en steden gespaard. Op bepaalde plaatsen in de noordelijke Nederlanden worden de stormen zelfs georganiseerd en geleid door het magistraat zelf, en gaat het er in ieder geval iets minder hard aan toe.

Op 29 september is de storm in het Noorden wat gaan liggen en worden de laatste kerken te Leeuwaarden vernield. Op 8 oktober is de storm uiteindelijk volledig uitgeraasd. Of toch niet volledig, want op 14 oktober 1566 heeft er nog een tweede aanval plaats op de Onze-Lieve-Vrouwkerk te Antwerpen. Hieraan wordt echter spoedig een einde gemaakt door het kordate optreden van Antoon van Lalaing, gouverneur van de stad, en van de stadsmagistraat.
Dezelfde nacht nog worden reeds zes beeldenstormers ter dood veroordeeld en de volgende dag terechtgesteld.
Het zal tot 1572 duren vooraleer in het Noorden opnieuw, maar deze keer grondiger, katholieke bolwerken zouden bestormd worden.

Verschillende fasen
In het verloop van de Beeldenstorm kunnen we drie fasen onderscheiden. In een eerste fase, van 10 tot 18 augustus, zijn er verschillende groepen Beeldenstormers aan het werk in het Westkwartier. Deze rondtrekkende groepen worden vaak geholpen door de plaatselijke inwoners. In dit gebied blijven weinig kerken, abdijen of kloosters gespaard.
Van 20 tot 27 augustus wordt er in de tweede fase hevig gestormd in de Scheldestreek en sommige streken in Holland. In het Scheldegebied verspreidt de Beeldenstorm zich, en dit in tegenstelling tot het Westkwartier, niet als een lopend vuur. In de Scheldestreek wordt de Beeldenstorm meestal georganiseerd in de steden en door de beeldenstormers in de onmiddellijke omgeving verdergezet.

In september en oktober worden er, in een derde fase, nog kerken 'gezuiverd' ten noorden van de grote rivieren. Ook in het Westkwartier wordt er nog gedurende enkele dagen in een aantal steden gestormd. In de noordelijke Nederlanden zijn (vanaf september) geen rondtrekkende groepen aan het werk zoals in het Westkwartier of sommige plaatsen in het Scheldegebied. In verschillende Hollandse steden en te Utrecht wordt er fel gestormd, maar in Gelderland, Overrijsel, Friesland en Groningen gaat alles er veel kalmer aan toe. In het noorden van de grote rivieren geschiedt de Beeldenstorm op verschillende plaatsen onder leiding van edellieden, overheidspersonen en zelfs uitgetreden geestelijken.

Wordt vervolgd
Jan Rooms

De actualiteit van een erfgoedbeweging.

Van prof. Jan Jacobs ontvingen wij een exemplaar van het tijdschrift Trajecta waarin zijn studie gepubliceerd werd :
Een bijdrage tot de geschiedenis van de Bossche rederijkerskamer Moyses�Bosch.
Jacobs was ��n van de twee causeurs op het vorig jaar in Den Bosch gehouden internationaal rederijkerscongres .
De studie baseerde zich op vier onderscheiden perioden: 1496- 1568 , -1595 , 1752 , 1915- 1951 ,1951 tot heden
Dat schema geeft aan dat deze Kamer geen ononderbroken geschiedenis kent.
Door de herinrichting van de Kamer in 1951 werd teruggegrepen naar wat men als het eigene van M.B. beschouwde.
  • cultivering van een aangenaam tijdverdrijf als gheselscap van ghenoughten door het schrijven en opvoeren van uiteenlopende genres van toneelstukken en de beoefening van diverse vormen van po�zie.
  • uitdrukking geven aan een bepaald spiritueel en relgieus besef.
  • hooghouden van naam en faam van de eigen stad, ��n van de vier hoofdsteden van het oude hertogdom Brabant.
Voor elk van de vier perioden wordt nagegaan welk aandeel M.B.had in de stedelijke en regionale feestcultuur.
Ten slotte wordt voor elk van de vier perioden de geschiedenis van M.B. in het bredere verband van de rederijkerij in de Nederlanden geplaatst. Zo wordt ook een brug geslagen tussen enerzijds de middeleeuwen en vroegmoderne tijd en anderzijds de actualiteit.
Wie interesse heeft voor deze studie kan het exemplaar van "Trajecta 16.2007.2" bestellen bij
Redactie Trajecta vzw. tegen de prijs van €10,00 exclusief verzendingskosten.
e-mail : trajecta@kdc.ru.nl

Vlaamse toneelwedstrijden op het eind van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw (5)
Freddy Van Besien

In deze aflevering gaan we in op een toneelwedstrijd ingericht door de Fonteine uit Gent in 1785. Dank zij het feit dat ��n van de organisatoren, Jean Fran�ois vander Schueren, tevens uitgever was van de Vlaemschen Indicateur en voor de wedstrijd heel wat plaats inruimde in zijn blad, zijn er veel details bekend.
1785: wedstrijd te Gent, ingericht door de Fonteine
De Gentse Fonteinisten (opgericht in 1448) organiseerden in 1785 een toneelwedstrijd in "La bonne Aventure", een herberg in de Akkerstraat te Gent, vlakbij de nieuwe gevangenis aan de Coupure. Het opgelegde stuk was 'De weduwe van Malabar, of het gezag der gewoonten', treurspel in vijf bedrijven van Antoine Marin Le Mierre, dat door de Gentse drukker J.F. Vander Schueren in proza was vertaald en door hemzelf uitgegeven.
Daarna moesten de deelnemers een blij- of zangspel naar keuze opvoeren. Deze wedstrijd was de eerste bekende activiteit van de Fonteine sinds 1749 (cf. Van Besien 2004).
In een bericht in de Gazette van Gend van 11 november 1784 werden de belangstellenden opgeroepen om op 28 november 1784 om 14 uur aanwezig te zijn in "La bonne Aventure", om zich in te schrijven voor de wedstrijd en er diezelfde namiddag deel te nemen aan een andere wedstrijd die erin bestond "enkele vragen te beantwoorden". Deze uitnodiging werd hernomen in de Gazette van Gend van 15 november 1784. Ook in de Vlaemschen Indicateur van 20 november 1784 werd de wedstrijd aangekondigd. Daar vernemen we wat meer details over de prijzen van de toneelwedstrijd: er zullen acht zilveren gedenkpenningen worden uitgereikt, telkens aan de acteur die het best elk van de acht rollen zal hebben gespeeld. Per deelnemende vereniging zal dus maar ��n persoon een gedenkpenning ontvangen. De acht bekroonde acteurs, ieder uit een verschillende vereniging, zullen dan na afloop van de wedstrijd het "stuk van eer" vertonen. Al het nodige (kostuums, decor, attributen) wordt door de organisatoren gratis ter beschikking gesteld. Iedere deelnemende groep moet veertien gulden inleggen.
Uit verdere berichten in de Gazette van Gend (23 december 1784) en in de Vlaemschen Indicateur (1 januari 1785) vernemen we dat de samenkomst van 28 november 1784 anders is verlopen dan voorzien: de wedstrijd in het beantwoorden van enkele vragen is namelijk niet behoorlijk verlopen door de tussenkomst van een 'Midas Kroondraegenden Weet-Niet'. Wie deze met ezelsoren getooide, onbevoegde kunstrechter mag geweest zijn, is niet bekend. De wedstrijd zal opnieuw georganiseerd worden op 26 december 1784 en iedereen wordt uigenodigd zich op die datum opnieuw aan te bieden. Men kan zich ook nog inschrijven voor de toneelwedstrijd van 1785, die zal beginnen op tweede Paasdag.
Tijdens de tweede poging, op 26 december 1784, kon de wedstrijd inderdaad plaats hebben en werden er drie zilveren penningen uitgereikt (cf. Vlaemschen Indicateur 1 januari 1785). De wedstrijd bestond in het beantwoorden van vragen die peilden naar de kennis over de muzen of godinnen van de Helicon of de Parnassusberg. Er werd gevraagd naar de namen van de verschillende godinnen of muzen en hoe ze gewoonlijk worden afgebeeld. De antwoorden dienden in verzen te worden geschreven.

De eerste prijs ging naar Petrus Judocus de Borchgraeve uit Wakken; de tweede prijs naar Placidus Hubertus Soenen uit Petegem bij Deinze en de derde prijs naar Joannes Joseph Soenen, eveneens uit Petegem. Petrus Judocus de Borchgraeve (1758- 1819) was de stuwende kracht achter de in omstreeks 1780 nieuwgestichte kamer de Catharinisten in Wakken met als kenspreuk "Ziet het groeyd onbesproeyd". Hij schreef gedichten en toneelstukken. Hij was ook acteur en behaalde de eerste prijs voor de titelrol van 'Bellerophon' tijdens de wedstrijd van 1784 in Oudenaarde. De Borchgraeve dankte de organisatoren van de wedstrijd met een gedicht, waarin hij ze aanmoedigt door te gaan: Gae voord, gae vlytig voord in dus een Konst te bouwen! Laet ons de vrucht uws geest en vlyt, nog meer beschouwen, Lokt alle Minnaers aen,
En leerd die langst uw spoor nae Pindus Tempel gaen Door �t pit van Tael en Kunst oogblykelyk t�ontvouwen: Zoo ziet m�eer lang uw Stad, die d�Hoofd-stad is van �t Land, De Hoofd-stad van de Kunst, Geleerdheyd en Verstand. (Vlaemschen Indicateur 29 januari 1785). De toneelwedstrijd had, zoals gepland, plaats in april en mei 1785 in "la bonne Aventure" in de Akkerstraat te Gent. Alle voorstellingen werden in de Vlaemschen Indicateur aangekondigd. Er waren acht deelnemers:
Sint-Pieters, Ledeberg (3 april 1785)
Nevele (5 april)
Zevergem (10 april)
Zomergem (17 april)
Wakken (24 april)
Sint-Niklaas (1 mei)
Oostakker (5 mei)
Wieze (8 mei)

We kennen ook de blij-of zangspelen die werden opgevoerd:
Ledeberg, Nevele en Zevergem voerden ' Den gemaekten rouw' op, kluchtspel in ��n bedrijf van Thomas Corneille;
Zomergem speelde ' Don Pedro of de getransformeerde dochter', kluchtspel;
Wakken speelde ' Lucas, of den nieuwen Krygsman', blijspel in ��n bedrijf;
Sint-Niklaas speelde ' Sidnei', blijspel in drie bedrijven;
Oostakker gaf ' Den slotmaeker', opera buffa;
Wieze speelde ' De krygsgezinde dochter', blijspel in ��n bedrijf.

Ter gelegenheid van het optreden van de Catharinisten van Wakken schreef De Borchgraeve een ' Harp-slag ter inwyding van den nieuwen Nederduytschen Schouwburg, opgerecht in de Bonne-aventure, binnen de stad gend, op welken des zelfs Heeren Stichteren, voor de eerste mael, door acht verscheyde Konstgenootschappen, om Prys laeten vertoonen De Weduwe van Malabar', waarin hij in alexandrijnen hulde brengt aan het initiatief tot het inrichten van de wedstrijd en aan het vertaalwerk van Vander Schueren. De tekst werd uitgegeven bij de Gentse drukker P.J. Spillebaut.

De Gentse organisatoren gaven na afloop van het tornooi ook zelf een voorstelling in "la bonne Aventure', nl. op 19 juni 1785. Ze voerden ' Mahomet' van Voltaire (vertaling De Vos) op, gevolgd door ' Het nachtgevegt of de leevende dooden', een blijspel van De Nyd. (cf. de Vlaemschen Indicateur 11 en 18 juni 1785). De prijsuitreiking had plaats in "la bonne Aventure' op 6 juni 1785 (cf. de Vlaemschen Indicateur 11 juni 1785). De eerste prijs voor het treurspel ging naar Wakken; de tweede prijs naar Nevele; de derde prijs naar St. Pieters Ledeberg; de vierde prijs naar Sint- Niklaas; Wieze kreeg een eervolle vermelding. De eerste prijs voor het ' naspel' (blij- of zangspel) ging naar Oostakker; de tweede prijs naar Wakken.

We kennen ook de namen van de spelers die een gedenkpenning wonnen:
juffrouw Van Beesen, uit Sint-Niklaas, voor de rol van Lanassa
Petrus de Moor, uit Sint-Pieters Ledeberg, voor de rol van de veldheer
Petrus de Borchgraeve, uit Wakken, voor de rol van de opperpriester
Petrus van de Cotte, uit Oostakker, voor de rol van de jonge priester
Guillielmus van Malcotte, uit Sint-Niklaas, voor de rol van de Franse officier
(eervolle vermelding voor Petrus Colpaert, uit Zomergem, voor dezelfde rol)
Stanislaus de Smet, uit Wakken, voor de rol van de priester
Petrus de la Fontaine, uit Wakken, voor de rol van Fatima
Joannes de Vogelaere, uit Wieze, voor de rol van de staatsbediende

De prijsuitreiking werd voorafgegaan door een lezing over de ' Oudheyd, Nutheyd en Heerlykheyd der zoo van ouds genoemde Rederykers in de Nederlanden'', opgesteld door J.F. vander Schueren, en voorgelezen door Van Beesen, boekhandelaar te Sint-Niklaas. De gehele tekst van deze lezing werd in de Vlaemschen Indicateur gepubliceerd (2 juli 1785; 9 juli 1785; 16 juli 1785). Na een uitgebreide geschiedenis van de rederijkers in Vlaanderen, roept Vander Schueren de toehoorders op om de traditie weer op te nemen:

' Zie daer dan yverige Rederykers, waere Minnaeren van het Tooneel, zie daer hoe zeer voorhe�n den Schouwburg en de Rederykers geagt en bemind wierden. Bezie met weenende oogen den trap van Eer, van welken zy gedaeld zyn, en tragt door Yver en Konst dien zelfden trap eens andermael op te stygeren. Dan zullen die trotsche Voorstaenders van het Fransch Tooneel beschaemd worden, om dat zy, het achtste deel van hunne Moeder-spraek niet magtig zynde, zoo lang gelooft hebben, dat de Nederduytsche Tael voor het Tooneel niet geschikt was. Dan zullen die laetdunkende, die de welsprekenheyd veragten, om dat zy, of te luy, of te lomp zyn om die fraeye Wetenschap te oeffenen, uwe bywezenheyd vluchten. Dan zullen die eygenzinnige Mymeraers, die alleen wys willen zyn, of voor zulkdaenig willen doorgaen, om by het gemeene Volk als halve Goden het hoofd te kunnen verheffen, de oogen openen en zien dat zy zig zelven en de hunne verleyd hebben.'

In den Vlaemschen Indicateur van 26 juni 1785 vinden we een verslag van de triomfantelijke intrede van de Wakkense kamer:

"Nauwelyks waeren de dry Medaillisten (Petrus de Borchgraeve, Stanislaus de Smet en Petrus de la Fontaine) met de hun aengewezene Tooneel-pryzen de uytterste Paelen huns Dorps genaedert, of wierden met alle eer en plechtigheyd ontmoet en verwilkomt, door negen Maegdekens, waer van de dry eerste droegen dry verscheyde Eerblazoenen, de tweede dry verscheyde Jaerschriften, en de derde dry sierlyke Bloem-troph�en, die zy de dry Medaillisten eerbiedig aenboden: dit Negen-magden-tal wierd opgeleed door de Konst, wie een Blazoen droeg: WaCken ganDae VICtrIX hILarIter trIUMphat (= 1785), en opgevolgt door eenen Apollo, draegende een zeer sierlyk opgepronkt verwilkomende Eergejuych: daer naer wierden zy onder 't geluyd der Keteltrommels, het gezwaey van vliegende Vaendels, Violen, andere Vreugd geschallen enz. door het alom beruchte vrye ridderlyke Gilde van den H. Sebastiaen ontfangen, en door des zelfs Hoofdman den Heer Bailliu op eene konstlievende maer allerteerste wyze den Wyn van Eere aengeboden, terwyl de locht scheen weertegalmen van het vreugdig Hand-geklap en Eergejuych van een ontelbaere menigte Dorp en Vremdelingen."

De winnaars werden vervolgens door de versierde straten van Wakken en via de Grote Markt geleid naar het lokaal van de Sebastiaansgilde: "In hunne ridderlyke Zael was een sierlyk Tooneel opgerecht, waer op ten bywezen der gemelde Gildens, en eene menigte Inwoonderen, verscheyde Eergedichten wierden uytgesprooken, gevolgt door verscheyde verwilkomende Maetgezangen: alwaer dan een prachtig Bal door veelerhande aenzienlyke Persoonen wierd gehouden, het welk laet heeft geduerd." Tijdens de maanden juni en juli 1785 gaf de Wakkense kamer nog een aantal opvoeringen van de bekroonde stukken in het Hof van den H. Sebastiaen te Wakken.

Bronnen:
Den Vlaemschen Indicateur
Gazette van Gend
Van Besien, F., "De Fonteine op het eind van de achttiende eeuw", Jaarboek De Fonteine 45-46 (2004), 171-235
(wordt vervolgd)

Lidmaatschapsbijdrage 2008

De Raad van Bestuur besliste de lidmaatschapsbijdrage 2008 niet te verhogen.
Dit moet iedereen de mogelijkheid geven om tegen een minieme bijdrage lid te blijven van het Verbond.
Hiervoor ontvangt elke Kamer of elk toetredend lid per kwartaal het tijdschrift van het Verbond.
  • Kamers : 25 �
    Zij ontvangen het tijdschrift
    Zij hebben medezeggenschap in het Verbond .
    Zij kunnen deelnemen aan werkgroepen en studiedagen.
  • Toetredende leden : 15 �
    Zij ontvangen het tijdschrift en steunen hierdoor de rederijkerij .

De Vlaamse Kamers en toetredende leden kunnen hun bijdrage voldoen via bijgevoegd overschrijvingsformulier op onze bankrekening 293-0322480-10.

De Nederlandse Kamers en toetredende leden door overschrijving van de bijdrage op onze bankrekening met als kenmerken :
BICcode : GEBABEBB IBANcode : 2930 0006 7652

TIJDSCHRIFT

Binnen de Raad van Bestuur werd beslist dat aan al de Kamers die aangesloten zijn bij het Verbond een nieuwe service zal verleend worden.
Deze service houdt in dat aan de hand van ontvangen e-mail adressen een database zal aangelegd worden van AL de leden van hun Kamer die een elektronische kopie van het tijdschrift wensen te ontvangen.
Op deze wijze zullen dan ook meer ge�nteresseerde lezers bereikt worden.
Er zal dus nog slechts ��n exemplaar via de post verzonden worden. Dit gezien de laatste jaren de posttarieven in Belgi� fors zijn toegenomen .
Wij vragen dan ook dat alle Kamers die dit wensen ons een lijst van e-mailadressen van hun leden zouden bezorgen.
De gegevens mogen aan mijn e-mailadres worden overgemaakt
(emiel.francois@skynet.be)