Terug naar index
Ons Camers và Rhetorike
-
Verantwoordelijke uitgever : Verbond van de Kamers van Rhetorica v.z.w.
Veeweydestraat 22-24
B 1070 Anderlecht
website : www.rederijkers.org
27 ste jaargang nr 1 januari februari maart 2014
Redactie: Bauke van Halem
’t Haantje 2
4854 MV Bavel
Kopij naar bvh@vanhalem.nl
In dit nummer ...
Woordje van de redacteur
Beste rederijkers ,
Met ingang van dit nummer mag ik de pen overnemen van Emiel
François die dit tijdschrift vele jaren heeft vormgegeven en mede
heeft gevuld. Hem zij hulde voor al het werk en de inspanningen om
iedere keer opnieuw dit tijdschrift uit te brengen.
Ik ben me er zeer van bewust dat nu een noorderling dit blad gaat
opstellen. Dit bewustzijn komt mede voort uit de wetenschap dat de
rederijkerij in eerste instantie een zaak was vanuit het Vlaamse land,
ja zelfs oorspronkelijk een Noord-Franse herkomst had.
Pas in de loop van de vijftiende eeuw ontstonden er ook in het
noordelijke deel van de Nederlanden rederijkerskamers.
Dit gegeven dwingt me -als Noorderlander- tot een zekere
bescheidenheid.
Verderop in dit tijdschrift wil ik U graag iets meer over mijzelf
vertellen.
Eerst is aan de orde om de wens uit te spreken dat wij andermaal een
mooi rederijkersjaar ingaan.
We verheugen ons op het komende congres in Liedekerke, dat ik op
grond van het programma en de voorkennis die ik als lid van het
Verbond nu eenmaal heb, nu al een succes durf te noemen.
Met genegen rederijkersgroeten,
Bauke van Halem
Op naar het congres in Liedekerke
Op 14 en 15 juni 2014 vindt het 31e internationale rederijkerscongres
plaats en dit jaar wordt het gehouden in Liedekerke.
Daarom hier wat algemene informatie over het congres onder
verwijzing naar de nieuwsbrieven die zijn verschenen danwel nog
komen.
Waar te overnachten ?
Hotels congres :
- Aalst:
- Hotel Keizershof Korte Nieuwstraat 15
- www.keizershof.be
- Hotel Ibis, Villalaan www.ibis.com
- Ninove:
- Hotel De Crone Geraardsbergsestraat 49
- www.hoteldecroone.be
- Hekelgem : Hotel Partridge Brusselbaan 18 Affligem
- www.hostellerie-affligem.be
- Denderwindeke : B&B De Pepelinck, Steenhout 18
- Meerbeke : B&B De Roesbeekhoeve, Roesbeke 79
- www.depepelinck.be
Locaties tijdens het congres ?
- De Warande, Opperstraat 31, Liedekerke
- Feestzaal ‘t Guldenhof, Fabriekstraat 42, Liedekerke
Een nieuwe redacteur
In de lijn van actievelingen voor het Verbond en de rederijkerij ben
ik eigenlijk niet meer dan een ‘broekie’.
Sinds 2008 ben ik gevraagd om bezig te zijn met de heroprichting
van de Kamer Vreugdendal in Breda. Omdat ik al jaren actief als
dichter bezig ben, kreeg ik daar al snel de functie van Factor.
In 2012 kozen we ervoor om voortaan als ‘Het Turfschip van
Adriaen van Bergen’ door het leven te gaan met de toevoeging :
‘gegrondvest op de aloude Kamer Vreugdendal’.
Het was een grote eer om als jonge nog niet formeel geïnstalleerde
Kamer een congres te mogen organiseren en door vacatures in het
bestuur van het Verbond mocht ik in 2012 ook toetreden tot het
Verbondsbestuur.
Mijn wortels liggen gedeeltelijk in Vlaanderen, waar een verre
voorvader omstreeks 1308 zich vestigde in Gent. Ik spreek van
Simon de Mirabello van Halen, die als Longobard vanuit Noord
Italië in Gent terecht kwam en Ruwaard van Vlaanderen werd. Hij
verwierf de Hof ten Walle, het latere Prinsenhof en geboorteplek van
Keizer Karel V.
Respect voor Vlaanderen zit dus in mijn bloed.
Maar dichterbij het heden ben ik Noorderling en woonachtig geweest
in Groningen, waar heel veel Nederlandse rederijkerskamers zijn
ontstaan. Juist daar ben ik de liefde voor de taal gaan ervaren.
En om het verhaal nog iets breder te trekken : ik ben in Haarlem
geboren en voel dus ook verwantschap met onze ‘Trou-broeders’.
Met dit al hoop ik duidelijk te maken dat ik me een echte
Verbondsman voel en vanuit die houding wil ik U als redacteur de
komende tijd gaarne dienen.
Jaarzangen: een fenomeen
In meerdere Kamers kent men het verschijnsel ‘Jaarzang’. Een aloud
rederijkersgeschrift waarin men de jaarlijkse gebeurtenissen in een
Kamer in dichtvorm vastlegt.
Beroemd in dit verband is de Haarlemse Jaarzang, die ook ieder jaar
wordt aangevuld met een ‘Catharijnenzang’, waarin de heilige
Catharina centraal staat.
In Breda is, daardoor geïnspireerd, de Maandzang ontstaan die jaar-
lijks wordt gebundeld in een Jaarzang.
Graag wil de redactie kennis nemen van soortgelijke
maandelijkse danwel jaarlijkse geschriften bij de verschillende
Kamers in het zuiden en noorden van ons taalgebied.
Hierna kunt U de ‘zang’ lezen die eind 2013 in Breda klonk :
Maandzang December 2013
Aan ‘t eind gekomen van dit jaar
Bedenk ik hier een nieuw gebaar
Om U, mijn rederijkers, te bezingen
Al voel ik mij als de beginnelingen
Die aan ’t begin van een traditie staan.
Toch weet ik mij gesteund door die mij reeds zijn voorgegaan
Om eens per jaar een zeer bijzonder vers te schrijven
Te eren met dit offer van mijn taal en bij de jaarzang in te lijven.
Nog zeg ik niet waarop ik doel
In Haarlem deze zomer kreeg ik het gevoel
Dat wat zij daar aan Catharina bieden
Wellicht ook voor U, rederijkerslieden
In klare taal te vatten valt
‘k besef dat mijn geheim al bijna door deez’ ruimte schalt
Maar nu wil ik die naam u hier nog niet onthullen
Al was het maar om met de taal de tijd te vullen
Die ‘k nodig heb om tot mijn climax hier te komen
In zek ’re zin loop ik al tijden stil te dromen
Van een meer dan maandzang-lang gedicht
Dat als een apotheose van een jaar iets plaatst in ’t centrum van het
licht
Dat ons toch immer weer omarmt
En d’ ene om de geest en d’ andere door de tekst verwarmd
Laat mij een ogenblik mijn woorden hier wat nader duiden
Al eerder bereikten mij geluiden
Als zouden toch enkel christelijke wetten
Een stempel op ons echt voor-elk-toegank’lijk-zijn hier zetten.
Nu zijn wij kinderen van het Avondland
En is ons zijn toch zeker uit een christelijke trant
Maar ook als dat aspect U minder zegt
Ontkom ik enkel al uit wat historie ons ontvlecht
Niet aan een religieuze duiding
U hooggeachte atheïsten hier, maakt maand’lijks toch een buiging
Naar dat door vinder Nettie-Echt*
Gevraagd moment dat zij aan het eind van haar zegje zegt:
Dus christelijk in ’t nu of niet
Weet dat historie toch vooral gebiedt
Om hier een ernstig lof te dichten
Voor haar die nooit voor weelde wilde zwichten
En met haar houding ons een houvast gaf
Om aan onz’ keuze vast te houden ondanks dreiging zelfs met straf
Die nooit ons menselijk zijn verdragen kan
-zie Victor, onvolprezen Xanten-man
En Vrouwe Catharina in deez’ zaal
Wier toch gebroken rad ons doet verhaal
Van hoe een mens gedragen is
Ook als je leven tussen Pinksteren en ’t toch beleefde Kerstmis
Ook een andere zijde wil belichten
-al zou je hier Utopia willen stichten-
Dus, rederijkers, hier bijeen
Schrijf ik mijn dicht hier voor Heleen’
Moeder van Keizer Constantijn
Die elke maand vormt het refrein
Waarlangs ons teermaal wordt gezet
Tot stilte voor de één en voor de ander stil gebed
Omdat hoe plat ons reden ook mag zijn
We graag een punt nog willen zetten op een lijn
Van eeuwig onderweg en altijd hier te zijn!
* Bijnaam van één van de leden van het Turfschip
Waartoe...?
Het begin van een vraag die menigeen nog zal herkennen, hetzij
vanuit een ver verleden, hetzij vanuit een actief belijdend.
Hier wordt het toegespitst op de vraag: “Waartoe zijn wij er als
Verbond van Kamers van Rhetorica?” Wat willen wij verbinden en
vooral waartoe?
Los van de geformaliseerde antwoorden zoals die in oprichtingsakten
en statuten zijn beschreven, is het niet verkeerd om die vraag steeds
opnieuw te stellen. Al was het maar om een actueel beeld van de
stand van zaken in Rederijkersland te krijgen.
Elke Kamer heeft zijn eigen dynamiek en historie: sommigen zijn
eeuwen oud en leven bij het in standhouden van een traditie, al dan
niet in een hedendaagse vormgeving; andere Kamers moeten alle
zeilen bijzetten om in leven te blijven en weer anderen hebben een
vorm gevonden, die jong en oud aanspreekt. Welke van deze Kamers
heeft er behoefte aan om ook in een breder -ja zelfs internationaal-
verband zichtbaar te zijn en zich als deel van een groter geheel te
manifesteren?
Een Kamer met een klein aantal leden, maar een serieus historisch
besef zal zich graag gesteund weten door een groter verband:
wellicht heeft het Verbond toegang tot kennis die lokaal al in de
vergetelheid is geraakt; wellicht kan ook een kleine Kamer met
stevige ondersteuning van het Verbond een congres organiseren om
zich daarmee lokaal en regionaal beter op de kaart te zetten.
Een grote Kamer zal zich mogelijk juist internationaler willen
manifesteren om anderen te kunnen laten delen in haar kennis over
traditie, erfgoed en het actualiseren van de rederijkerij als een immer
levende en levendige groepering van taalgeïnteresseerden.
U bent hiermee uitgedaagd om Uw opvattingen hierover eens
met de redactie van “Ons Camers” te delen.
Penningen
Een Verbond kan niet bestaan zonder lidmaatschapsgelden.
Daartoe wordt U opgeroepen om Uw bijdrage ten spoedigste over te
maken op rekening
BIC : GEBABEBB. IBAN :BE41 2930 3224 8010
met vermelding lidmaatschap 2014.
Kamers betalen € 30 en ontvangen het tijdschrift, hebben
medezeggenschap in het Verbond en kunnen deelnemen aan
werkgroepen en studiedagen.
Toetredende leden betalen € 25 (of meer...), ontvangen het tijdschrift
en ondersteunen de rederijkerij.
De Kamers die al betaald hebben worden natuurlijk van harte
bedankt !
Rederijkersjuweel 2014
Aangezien de voorkeur van alle ingeschreven kamers naar de
B-formule van het Rederijkersjuweel ging (met eigen regisseur) zal
het congres starten op:
- zaterdag 14 juni 2014 om 10.30 uur
- het Rederijkersjuweel begint om 20.00 uur
Er hebben zich 5 kamers ingeschreven voor het Rederijkersjuweel
met opgelegd werk
“Per auto” van Freddy Van Besien
(in volgorde van inschrijving):
- Koninklijke Rederijkerskamer
Jan Van Beers - Utrecht
- Aloude Overste ende Souvereine Prinselijcke
Camere van der Rhetorycke
Jhesus met der Balsemblomme - Gent
- Rederijkerskamer Barbara - Aalst
- Moyses Bosch - ’s Hertogenbosch
- Trou moet Blycken - Haarlem
Mirakels !
Uw redacteur heeft het plan opgevat om in een serie verhalen de
opkomst, ondergang en gedurige wederopstanding van de aloude
Kamer Vreugdendal te beschrijven. Uit deze kamer is de huidige
kamer “Het Turfschip van Adriaen van Bergen” ontstaan.
Het hele verhaal is een paar keer als luister-,kijk- en participeerspel
uitgevoerd, maar wordt hier in de komende tijd met een enkele
aanpassing neergezet als een vervolgverhaal.
De lokroep
Boeren burgers buitenlui! leent mij het oor!
U krijgt het eerlijk terug, maar wel pas later hoor.
Eerst en vooral wil ik verhalen,
Hoe wat begon met Vroechendale
(Kamer van re-de-rij-ke-rij
Ik zeg ‘t er meteen maar bij)
Thans floreert als Vreugdendal.
Wat zegt U daar? Dat wist U al?
Nou ja, zo niet: Wat is ’t geval?
Het voorspel
Bréda is een legendarische nederzetting ergens in het noorden van
België. Ooit was dit de sterkste vesting van de wereld, zoals elke
Spanjaard u kan vertellen. Hier is alles begonnen.
Tussen Keulen en Parijs loopt de weg naar Rome...., jawel, maar
waar begint die weg? Inderdaad, in datzelfde Breda, de navel van de
Lage Landen: Arthesië, Kamerijk, Brabant, Vlaanderen, de Zeven
Provinciën.
Bij Vaderlandsche Geschiedenis hoorde je van de Unies van U- en
Atrecht, maar waar dat laatste ergens lag... ontdekte je pas jaren later
als je op weg naar het zuiden een plasstop maakte in Arras. Je kon
daar gewoon ruiken dat je nog niet echt in Frankrijk was, maar
verzeild in de nevelen der geschiedenis, het schemergebied der
Ch’tis, jenever- en bierdrinkers net als wij. Zo, dit is dus Atrecht.
Onder de vrolijke klanken van de beiaard ontdek je op het begijnhof
een groep rederijkers, die al in de 13e eeuw Robin Hood op de
planken zette. Hier zijn we in de bilnaad van De Nederlandse Leeuw,
alias Leo Belgica of Belgicus, zo gewild bij liefhebbers van oude
kaarten, waarop een lompe leeuw met zijn gat breeduit op Frankrijk
drukt, Normandië en passant met zijn staart meenemend.
Welnu, de navel van die Leeuw is dus Breda, ook met een carillon ,
ook met een begijnhof, ook met een grootse rederijkerstraditie:
Vroechendale of Kamer Vreugdendal!
Groots! Als niemand minder dan Emiel de Waal, groot kenner der
rederijkerij, zoiets roept bij zijn bezoek aan Breda in 2008, dan is dat
niet mis te verstaan.
Groots! Als een jaar eerder de toenmalige vaandrig van de
Pellicanisten te Haarlem, de flamboyante Dr. Jan Spoelbier zijn
roemer heft en spontaan deze huldedronk uitbrengt:
Nu nood ik allen rap ’t glas te heffen
Op deze Kamer brengen wij een toast
Een heildronk tevens op ons samentreffen
Derhalve, kort en bondig: ...mòge!
Dan weten we meteen waar Jan gestudeerd heeft en hoe hoog hij de
sotternij van Breda heeft zitten.
Hoe oppervlakkig klinkt dan een burgemeester, die zegt:
“Goh...hebben wij in Breda iets met rederijkerij?”
Breda = Rederijkerij, burgemeester! Mijn getuige is Constantijn
Huygens’
- Aen de Bredaese Camer van Vreugdendale:
Ist mogelijck Breda dat ick U niet en ken
U, oorsaeck dat ick leef, U oorsaeck dat ik ben?
Cloeck geestig Vreuchden-dal...
U, moeder van de const, u voedster van de pen?
Als iemand in 2009 na een eeuwigheid weer mag aanschuiven bij de
vergadering van Hoofden van kamers uit België en Nederland in de
salon van De Ghesellen vanden Palmryze te Mechelen, kent men
Breda ook daar niet meer zo goed. Wel staat Breda weer op de lijst
van deelnemers aan de Vergadering van Hoofden. Maar nee, niet als
alle anderen onder vermelding “rederijkerskamer “ of: “Koninklijke
rederijkerskamer.”, maar als Vereniging Jacob van Lennep, met een
echo van....-nep! Nep!*
“Ave Helena, Hoedster van het Ware Kruishout,sta ons bij!”
En dat deed zij. Haar bijstand bewerkt keer op keer mirakels! Ex
machina sprong daar uit haar schoot de Sot Adriaan de vergadering
in. Sedert die dag denkt men bij Breda weer aan sotternij, aan
rederijkers, aan Jacobs Kamer Vreugdendal. Niks geen nep! Voluit
rederijkerskamer, ja, wacht maar.... Koninklijke Rederijkerskamer!
Tussen Keulen en Parijs, tussen A- en Utrecht, van Swevelchem
onder Reetveergem tot ver boven Groningen is Breda weer gekend
als de navel van Leo.
* De rederijkerskamer was kort onderdeel van de Vereniging Jacob
van Lennep, maar werd al snel een zelfstandige eigen vereniging.
Na die legendarische vergadering der Hoofden stapt de
burgemeester van Mechelen op onze man van Jacob van Lennep af,
maar allez, hoes’t mee Uu.. Aadje, zwaaiend met een kopie uit zijn
stadsarchief waaruit blijkt dat Breda al rederijkers naar Mechelen
afvaardigde in 1483! Waaronder de legendarische Adriaan.
Wat nu weer? Och, lieve mensen, ge kijkt of ge snot ziet branden; gij
kent Adriaan niet?
Welke rederijkers kent U eigenlijk wel?
Bredero natuurlijk, van De Spaanse Brabander, al istie hooguit één
keer in Breda geweest.
Hooft , Leids student, later lid van de Eglentier. Vondel, die in het
Guinness Book of Record staat als de dichter van het kortste gedicht
ooit:
- U
Nu
Vondel, wiens ouders uit Antwerpen waren gevlucht. Die in een
kousenwinkel in de Warmoesstraat voetwarmers verkocht, maar zelf
al een eeuwigheid ligt te rillen onder een grafsteen met de
dieptreurige mededeling:
Hier leit Vondel zonder rouw,
Hy is gestorven van de kouw
Maar wie kent hier nog schoenlapper Adriaensz, die om zijn
scandaleuze liederkens in 1568 werd terechtgesteld? Of de schilder
Adriaan Brouwer, die zich zo origineel over het Kasteelplein bewoog
dat hij werd opgepakt op verdenking van spionage. Dan heb je nog
de corpsballerige types à la Jacob van Lennep. Leden van statige
clubs als De Witte of Litteraire te ‘s-Gravenhage.
(wordt vervolgd...)
Interessante informatie van De Roode Roos uit
Hasselt...
Deze merkwaardige papieren foliocodex, begonnen in 1611 door
Renier Co(e)mans, gebonden in een stevige leren band, telt 316
bladzijden en bevat veertien toneelstukken uit het 16e en 17e eeuwse
repertoire van de Hasseltse rederijkerskamer De Roode Roos. Het
gaat om zeven historiaelspelen (dramatiseringen van verhalende stof,
ontleend aan de klassieke oudheid of de Bijbel), die door De Roode
Roos opgevoerd zijn tussen 1588 en 1670, meestal ter gelegenheid
van Hasselt Kermis. Naast de zeven historiaelspelen bevat het
register nog zeven andere spelen: drie gewone zinnespelen, één
proloog en drie spelen van de Brabantse rederijker Jan Baptist
Houwaert. Het Register Coemans is daarmee één van de rijkste
verzamelhandschriften met dramatische literatuur uit de
rederijkerstijd en biedt na de verzameling van de Haarlemse kamer
Trou Moet Blycken de grootste collectie Bijbelse rederijkersspelen.
Dit verzamelhandschrift geeft een volledig beeld van het repertorium
van een rederijkerskamer in een langere periode (1588 - 1670), wat
bijzonder zeldzaam is. Bovendien is de Hasseltse bundel de
belangrijkste bron voor het volkstalig Bijbels toneel in de Zuidelijke
Nederlanden in de vroegmoderne tijd. Aangezien het over een
overzicht van verschillende toneelstukken en genres gaat binnen een
welomlijnde tijdscapsule en binnen de (lokale) context van een
bepaalde rederijkerskamer, heeft het ook cultuurhistorische
ijkwaarde en is het van belang voor ons collectief geheugen.
Yvan Kooken, Fiscaal van de Roode Roos
Hierna volgen een aantal bijdragen die we via Johan De
Rijck uit Liedekerke ontvingen om alvast een beeld te
krijgen van het ontstaan van het dorp en de rol die het
kasteel heeft gespeeld, alsmede informatie over het
kantklossen.
LIEDEKERKE ONTSTAAN VAN ONS DORP
1092 - 2014 (924 JAAR)
Wat heeft er zich in het jaar 1092 precies voorgedaan (ledechercis in
de oorkonde van 1092) heeft een Frankische oorsprong: 'LIDH', wat
oever of heuvel betekent. Men kan veronderstellen dat de oudste
benaming 'LEDE' kan zijn. Oever of heuvel passen goed in het
natuurlijk kader: de Oude Dender loopt aan de voet van de
kerkheuvel. Vanaf de Oude Dender merken wij nog steeds duidelijk
dat de kerk op een heuvel gebouwd werd. Men kan aan de indruk
niet ontkomen dat 'kerke' bij 'Lede' werd gevoegd omwille van de
bijzondere betekenis van die kerk in 1092. Vandaar Ledekerke, nu
Liedekerke. Dat Liedekerke een vanouds bewoond dorp was,
bewijzen de ingaheimnamen : Pijnegem en lmpegem.
In het jaar 1092 wordt Liedekerke voor het eerst in een
merkwaardige oorkonde vermeld. Het betreft nl. een brief van
Geeraard II (1076-1092) bisschop van Kamerijk,waarin de stichting
van de kerk van Liedekerke, door Everaard van Doornik en zijn
vrouw Helewigis, erkend en tevens met voorrechten bedeeld wordt.
Deze Everaard van Doornik was een aanzienlijk grondbezitter die
niet enkel in Liedekerke een Kapittel stichtte.
Het huidige dorpje lncourt (bij Geldenaken) behoorde hem toe in de
Xle eeuw. Geeraard II, bisschop van Kamerijk werd door de Keizer
van Duitsland Hendrik IV AD 1076 aangesteld, wat in strijd was met
de hervormingsbeweging van Paus Gregorius VIl. In 1092 bevinden
we ons volop in de investituurstrijd. Dit wordt verder uitgebreid
behandeld. Vooreerst gaat onze aandacht volledig uit naar de
stichtingsoorkonde van het kapittel van 1092, die in het Latijn
opgesteld werd en de oudste oorkonde vormt die in het Corpus
Chronicorum Flandie voorkomt. Dus is er voor het eerst van
Liedekerke sprake in 1092.Aldus bestaat ons dorp in 2014 924 jaar .
STICHTINGSOORKONDE VAN HET KAPITTEL
VAN LIEDEKERKEKAMERIJK,
1092
“ln naam van de Heilige en ondeelbare Drieëenheid. Geeraard de
Tweede, bij de genade van God bisschop van Kamerijk, aan alle
Prelaten die de Moederkerk dienden door de vermeerdering van de
deugden .Omdat wij ons in het geloof van onze dienaren moeten
verheugen die begaan zijn met de vereffening van de Heilige Kerk,
door de goede wil van bereidwillige personen, past het ons ook,
indien ons in dit verband iets gevraagd wordt, dit niet te weigeren,
opdat zij in het leven grotere vorderingen zouden maken naar ons
voordeel. Dientengevolge heb ik besloten het verzoek van Raduif,
bijgenaamd Everard van Doornik en zijn vrouw Helewigis niet te
moeten verwerpen m.n. het altaar van Liedekerke van elke cijns en
recht op aanstelling (van bedienaars van de kerk) vrij te maken, op
voorwaarde dat aldaar kanunniken met hun prelaat voor de eredienst
aangesteld worden. Aangezien beiden, namelijk Everard en zijn
echtgenote, op zich nemen uit eigen goederen en van de opbrengsten
van hun bezittingen, de nodige uitgaven te zullen doen om in het
levensonderhoud van de kanunniken te voorzien, heb ik dus gedaan
wat zij vroegen. Daarom heb ik besloten voornoemde kerk van de
Heilige Drievuldigheid en van O.L.Vrouw, tot wiens eer dezelfde
kerk gebouwd werd, over te dragen, vrij van alle accijns, zonder het
bisschoppelijk gezag te schenden, zoals Everard en zijn vrouw dit
voorstelden. Met dien verstande echter dat zowel mijn opvolger als
ikzelf, het prelaatschap en de zielzorg mogen uitoefenen over de
volgens het kerkwettelijk gezag aangestelde kanunniken. Opdat dit
echter bekrachtigd en vastgelegd blijve, werd dit door getuigenis van
onze gelovigen bevestigd. Gedaan te Kamerijk in het incarnatiejaar
MXCII tijdens de regering van keizer Hendrik en tijdens het
episcopaat van Geeraard de Tweede".
De stichtingsoorkonde bevat enkele begrippen die betrekking hebben
op het toenmalig Canoniek Recht . Zo wordt bedoeld met het
vrijmaken van het altaar van alle cijns dat het kapittel zelf over zijn
inkomsten ervan mocht beschikken .
De begrippen Altaar (altare) en Kerk, (Ecclesia) hadden in de 11de
en 12de eeuw een afzonderlijke betekenis. De benaming "altare"
sloeg op het ambt en de rechten door de priester, de pastoor
uitgeoefend. Het omvatte dus titel en ambt van de pastoor. De
benaming "ecclesia" omvatte alle rechten door een domaniaal
eigenaar (in dit geval Everaard van Doornik) op de kerk van zijn
domein uitgeoefend. "Persona" sloeg op het pastoorsambt met de
eraan verbonden inkomsten of m.a.w. het recht op totale pastorale
inkomsten. Dit pastoorsambt kon enkel theoretisch zijn; het
werkelijk ambt werd uitgeoefend door een Vicarius (onderpastoor)
die voor zijn onderhoud een veel bescheidener deel toegewezen
kreeg.
Wij kunnen hier spreken van een dorpskerk (Villakerk)nl. een kerk
van een domein heer, gebouwd op eigen grond, met eigen middelen.
Zijn naam : Radulf, bijgenaamd Everaard van Doornik. Volgens
Beda Regaus (1718-1808), proost van de abdij Affligem, ging het in
1092 in feite om een omvorming van de kerk van Liedekerke tot een
klooster van Reguliere Kanunniken (mutata fuit in abbatiam
canonnicorum regularium). N.Backmund o.p. spreekt van een kleine
abdij van Augustijnermonniken (Parva abbatia de Liedekerke Ordinis
Sancti Augustini). Deze kleine abdij zou nog tot 1902 blijven
bestaan hebben en zou er het koor van de Sint-Niklaaskerk gevormd
hebben. Zo blijkt uit het verslag van de Koninklijke Kommissie van
Monumenten dd.19-10-1899, dat toen opgesteld werd naar
aanleiding van een bezoek aan de bouwvallige kerk: "La partie la
plus ancienne est le choeur, lequel constituait très probablement la
chapelle primitive de la localité; par des dispositions
architectoniques, il rapelle assez celui de Lombeek-Notre-Dame, qui
remonte au début de l'art ogival, mais il a subi de telles
transformations, qu'il n'offre plus d'intérêt".
Het koor zou dus eertijds de kleine abdij geweest zijn. In het jaar
1902 werd de kerk, met uitzondering van de toren die dateert van
1636, volledig afgebroken en vervangen door de huidige kerk die
dateert van 1903.
HET KASTEEL VAN LIEDEKERKE EN ZIJN BEWONERS
Op een boogscheut van het gemeenteplein van Liedekerke verheft
zich midden in de weiden (althans vóór enkele jaren) tussen Oude en
Nieuwe Dender, een blijkbaar kunstmatige heuvel “Kasteelberg"
geheten. Alhoewel deze benaming het zelf zegt en de er langsheen
lopende straat sinds zeer lange tijd "Kasteelstraat" genoemd wordt,
schijnen sommige mensen nog te twijfelen aan een vroeger bestaan
van het "Kasteel van Liedekerke", dat zich aldaar eeuwen lang
plechtstatig verhief en niet alleen de gemeenten Liedekerke en
Denderleeuw, maar om zo te zeggen de hele streek beheerste.
Doch zo grondig is de vernieling geweest, zo weinig overleveringen
betreffende dit monumentaal gebouw zijn tot ons doorgedrongen, zo
weinige oorkonden over plaatselijke geschiedenis zijn de
Liedekerkenaars overgebleven, dat men gaan twijfelen is over het al
dan niet bestaan van het eens zo beroemde kasteel van Liedekerke.
Bejaarde lieden uit de eerste jaren van de 20ste eeuw- het kasteel was
toen amper honderd jaar verdwenen- wisten er weinig of niets van te
vertellen. Enkelen beweerden,en dan nog heel schuchter, dat er een
kasteel “zou" gestaan hebben en lieten daarbij doorschemeren dat het
niet zo heel zeker was. Anderen voegden er bij dat het door "de
Fransen" afgeschoten werd van op de "Avinnenberg" neven de
Denderbocht in Teralfene. Maar schier allen die er nog iets van
vernomen hadden, voegden er geheimzinnig aan toe dat er van het
kasteel uit nog onderaardse gangen bestonden, die leidden naar “de
Bakergem" naar de Dommelingenstraat, of elders. Het mogelijke
bestaan van deze geheimzinnige gangen moet op hen meest indruk
hebben gemaakt en dit werd dan ook het langst onthouden. Al het
overige, voor zover de geschiedenis betrof, liet onze dorpsgenoten
tamelijk onverschillig en raakte na enkele jaren in de vergeethoek .
Het is bijna niet te geloven hoe vlug een belangrijke gebeurtenis
vergeten wordt, wanneer zij niet schriftelijk aan het nageslacht wordt
overgeleverd . Men moet nu eenmaal geen geoloog zijn om vast te
stellen dat "Kasteelberg" geen natuurlijke heuvel is. Het is al te klaar
dat deze verhevenheid, midden in laagliggende weiden eenmaal werd
aangebracht .
Waarom twijfelen aan het vroeger bestaan van het kasteel ? Is daar
niet de ons overgebleven afbeelding van deze versterkte burcht
daterend van de jaren 1600, die men aantreft in het "Flandria
Illustrata" van Sanderus. Is daar niet het overgebleven puin dat men
nu nog aantreft aan de zuidelijke hoek van de heuvel ? Tevens
herinneren wij ons hoe gemobiliseerde soldaten tijdens de
mobilisatieperiode van 1/9/1939 tot 9/5/1940, bij het aanleggen van
loopgrachten en andere delvingswerken op "Kasteelberg'', de
grondvesten van de grote ronde uitkijktoren blootleggen evenals
ettelijke andere grondvesten. Indien wij dwars door deze heuvel
konden kijken, wat zouden wij verwonderd zijn over de uitgebreide
grondvesten, opgevulde kelders, gangen en andere onderaardse
plaatsen omringd van dikke stevige metselwerken .
Hoe die kunstmatige heuvel daar midden in de weiden tot stand
kwam ? Met volstrekte zekerheid zal dit nooit achterhaald worden.
Wanneer wij echter de afbeelding van het kasteel in het boek van
Sanderus bekijken- en mogen gerust aannemen dat deze tekening de
werkelijkheid grotendeels zal benaderd hebben- dan zien wij dat het
metselwerk van de hoge muren en zware hoektorens onder het niveau
van de omliggende weiden gaat .Het kasteel werd dus niet op een
heuvel gebouwd maar wel in de vlakke weiden . Hoe zou men de
muren anders kunnen omringd hebben met water?
Eens de hoge, dikke muren van het gebouw er stonden in
vierkantvorm met op elke hoek een torengebouw, dan werd de
binnenplaats die betrekkelijk ruim zal geweest zijn, aangevuld met de
massa's aarde die voortkwamen van het uitdiepen der wallen ten
einde in de door de gebouwen afgesloten binnenplaats op een hoger
niveau te staan dan de omringende weiden.
Het is ongetwijfeld deze massale aanvulling van het middenplein,
gemengd met puin van de laatst overgebleven gebouwen en dit alles
gestut door de steeds aldaar in de grond vertoevende grondvesten, die
ten huidige dage "kasteelberg'' genoemd wordt .
In de tweede helft van de 17de eeuw was de vroegere luister van het
kasteel reeds erg aan het dalen. In de loop van de 18de eeuw werd
het zelfs niet meer bewoond door de eigenaars, die hun verblijfplaats
elders verkozen hadden,meestal te Boussu in Henegouwen. Het was
in deze tijd dat het kasteel meer en meer in een vervallen toestand
geraakte; immers door de tijdsomstandigheden was de zin en het
belang der versterkte kastelen verloren gegaan.
Een paar families- van rentmeesters, van de baljuw der gemeente en
ander personeelmochten
er hun intrek nemen, en tegelijkertijd de
wacht en de zorg van het gebouw op zich nemen. Op het einde van
de 18de eeuw vertoonde het nog slechts het uizicht van een rij
gebouwen in een grote rechthoek opgesteld. Ophaalbruggen, torens,
kapel en vroegere bijhorigheden waren verdwenen en namen aldus
het uitzicht van een versterkte burcht helemaal weg.
Ten tijde van de Franse revolutie (1794) bleef het zo goed als
onbewoond en het werd, met de andere goederen van het kasteel,
evenals de bezittingen van kerken en edellieden, in beslag genomen,
aan spotprijzen verkocht, of ten geschenke gegeven aan vreemde
aanhangers der Franse republiek. Nadien geraakte het kasteel hoe
langer hoe meer in een vervallen toestand.
Immers zeker is dat oude oorkonden uit de 11de en 12de eeuw, die
onze plaatselijke geschiedenis belichten, spreken van- en zelfs
ondertekend werden door- "Heren van Liedekerke" (Zie: G.Van
Hoorebeke, 'Les noms patronymiques", en J.J. De Smet, "Chroniques
de Flandre").
Deze heren zullen wel nergens anders hun intrek genomen hebben
dan op het kasteel. Dagtekent het dus uit de 11de eeuw? of nog
vroeger? Het is niet onmogelijk dat het ontstaan is op het einde van
het Frankische tijdvak, ten tijde van Karel de Grote (begin 9e eeuw),
wanneer "Boudewijn met den ijzeren Arm", Vlaanderens eerste
graaf, regeerde. Rond deze tijd werden in onze streken versterkingen
aangebracht om zich tegen de Noormannen te verdedigen . Deze
vestigingen werden opgetrokken op plaatsen die gemakkelijk konden
omringd worden met water. Meestal waar zulks mogelijk was, omgaf
een tweede watergordel de versterking ten einde aldus een beter en
meer afdoende verdediging te kunnen bewerkstelligen.
Deze veronderstelling zou dan overeenkomen met wat G. Van
Hoorebeke schrijft, zich steunende op een andere geschiedschrijver,
een zekere Laurent Le Blond. Deze beweert namelijk, dat het
geslacht der Heren van Liedekerke zou opklimmen tot het jaar 820,
wanneer er sprake was van "Raoul" Heer van Liedekerke. Volgens
laatstgenoemde geschiedschrijver zouden vanaf "Raoul" (820) twaalf
geslachten der Heren van Liedekerke elkaar hebben opgevolgd, tot
wanneer in 1146, de eerste Razo van Gavere huwde met Mathilde,
dochter van Goswijn, Heer van Liedekerke en Marie van Rhode.
Tot besluit van de vraag wanneer het kasteel ontstaan is, mogen wij
met zekerheid zeggen dat het kasteel van Liedekerke, zoals de
afbeelding uit de 17de eeuw het voorstelt, reeds grotendeels bestond
in de 12de eeuw en zonder veel twijfel mogen wij zeggen dat zijn
ontstaan teruggaat tot de negende of tiende eeuw, wanneer het als
verdediging tegen de invallen der Noormannen kon opgetrokken zijn.
Meer gewaagd zou het zijn te bewerenalhoewel
niet helemaal
zonder redenen- dat de oorsprong ervan zou opklimmen tot een
vroeger tijdperk.
In 1772 werd alles verkocht. Een veertigtal inwoners van Liedekerke
en Denderleeuw kochten één of meer stukken grond. Jacobus van
Londerzeel kocht de herberg "de Waege" met de brouwerij, die tot
dan toe aan het kasteel had toebehoord .Het kasteel zelf met een
groot deel van de eigendommen en het bos van Liedekerke werden
aangekocht door "Nicolaas van Beelen" uit Overhemn (Nederland)
"advocaat van den Raede van Brabant".
En dat was het einde van de "Heerlijkheid van Liedekerke" waarvan
ten huidigen dage een stuk stenen muur ons nog herinnert aan zijn
roemrijk verleden. Tijdens of na de Franse revolutie (1790-1814)
werden de overgebleven goederen (vooral het uitgestrekte bos van
Liedekerke) gekocht door de adellijke familie "de Mérode" die ze in
latere jaren stuk na stuk verkocht aan ingezetenen van Liedekerke of
van naburige gemeenten, of aan vreemden .
