Terug naar index
Ons Camers và Rhetorike
Contactadres en verantwoordelijke uitgever: Verbond van de Kamers van Rhetorica vzw.
-
Emiel Francois
Louis Callebautstraat 50
B 9320 Nieuwerkerken,
e-mailadres : emiel.francois@skynet.be
website : www.rederijkers.org
25 ste jaargang nr 4 oktober november december 2012
In dit nummer...

Woordje van de voorzitter
Beste rederijkers ,
Met dit nummer zijn wij aan het einde van het jubileumjaar van ons
tijdschrift.
Ik dank allen die ook dit jaar hun steentje bijdroegen.
De zesentwintigste jaargang staat voor de deur.
Reeds herhaalde malen deed ik beroep op de kamers om een artikel
te plegen over hun kamerwerking.
Ik hoop dat daar in de toekomst verder gevolg zal aan gegeven
worden.
In dit nummer het laatste deel van het congres in Breda en vanuit
Den Bosch een bijdrage van Vincent Verstappen over het Brabants
Landjuweel.
Naar jaarlijkse gewoonte vragen wij u het lidmaatschap voor 2013 te
willen voldoen door storting op onze bankrekening.
Nog steeds zijn de lidgelden onze enige bron van inkomsten.
Met genegen rederijkersgroeten,
Emiel François
Voorzitter
Stadswandeling tijdens Bredaas congres 2012
Zaterdag 9 juni 2012
Met zo’n vijftien congresgangers verzamelen we ons bij het
Wilhelmina-monument. We hebben hotel Keyser en het Breda’s
museum achter ons gelaten en worden verwelkomd door gids Ad. Al
gauw hebben we zicht op de Koninklijke Militaire Academie,
voormalige residentie van de Heren van Breda. Eenmaal binnen de
hekken, krijgen we toelichting bij de kapellen, het Kasteel, de
aanlegplaats van het turfschip natuurlijk, en de onderaardse gangen.
We vervolgen onze tocht langs de haven naar de Grote kerk, waar
interieur en kunstschatten grote indruk maken. Weer buiten wandelen
we over het Stadserf met het standbeeldje van Adriaan van Bergen,
door de Burgemeester Mercks beeldentuin, en staan dan al meteen
voor de ingang van het Begijnhof, een intiem plekje in de binnenstad.
Nog net hebben we tijd voor een drankje op het Henri ’t Sasplein als
de klanken van het beiaardconcert de middag afsluiten.

>
Theatrale rivalen in het Brabants landjuweel:
Leuven en ’s-Hertogenbosch
door Vincent Verstappen
Op 31 augustus 1561 galoppeert een ruiter, komende van
Antwerpen, in de richting van ’s-Hertogenbosch. Anthonis
Leydecker heeft haast want wat hij het Bossche stadsbestuur te
melden heeft, is groot nieuws en hij zal er ook nog rijkelijk voor
beloond worden.
Daar doemt het silhouet van de stad voor hem op. Opnieuw spoort
de bode zijn paard aan. Nog even dan kan hij door de Pickepoort de
Vughterdijk op die hem zal leiden naar het stadhuis op de Markt.
Eenmaal door de machtige, indrukwekkende stadspoort heen, rijdt de
bode stapvoets door de straten. Hij trekt de aandacht van spelende
kinderen, neringdoenden en ander volk. De bode houdt zich niet
meer in en roept zonder het te onthullen “Groot nieuws!” waardoor
hij een horde poorters achter zich aan krijgt.
Voor het stadhuis stijgt Anthonis Leydecker af, haalt de leidsels door
een grote ring aan de bordesmuur, fatsoeneert zijn kleding, loopt
langs de drie dreigend opgestelde kanonnen, wringt zich door de
samengestroomde meute, loopt de trap op en gaat naar binnen.
Na een kwartier verschijnen op het bordes enkele schepenen en
gildedekens met de bode in hun midden. Hij mag het vertellen. De
zeven guldens zitten al in zijn beurs.
Met vaste en vérdragende stem roept Anthonis vele malen achtereen:
“
Moyses Doorn heeft het landjuweel tot Antwerpen gewonnen! Den
hooghsten prys van het esbattement: seven silveren schalen!” Dan
overstemt het klokgelui vanuit de stadhuistoren zijn omroep.
Een van de schepenen zet zijn mond aan het oor van een
gildenmeester...
Rederijkerskamers
In de late middeleeuwen had elke zichzelf respecterende stad in de
Lage Landen een of meer rederijkerskamers. Heel belangrijke
instellingen. De Brabantse steden Antwerpen en Mechelen telden er
drie. Gent kende er vier maar Leuven en ’s-Hertogenbosch hadden
er elk vijf net zoals Brussel.
In ’s-Hertogenbosch opereerden: De Catharinisten (1496), De jonge
Laurieren (1574), De Gezellen van Sinte Agatha (1496), De
passiebroeders (1493) en Moyses Doorn (1496), ook wel Moyses
Doirn en tegenwoordig Moyses’ Bosch.
In een rederijkerskamer hield een groep ontwikkelde mannen zich
bezig met dichten, declameren, toneelspelen, theaterwedstrijden
organiseren, kortom theatrale beoefening van de edele woordkunst.
De rederijkers organiseerden zich zoals een gilde met reglementen,
functies als hoofdman, deken, fiscaal. Zij onderhielden speciale
betrekkingen met het stadsbestuur. Rederijkers luisterden
belangrijke evenementen in de stad op met voordrachten, spel en
tableaux vivants. Vooral bij blijde inkomsten, wanneer een vorst bij
zijn aantreden de steden in zijn gebied bezocht om de verhouding
tussen hem en volk te bevestigen of opnieuw vast te stellen, riep het
stadsbestuur de kamers op om stadspolitieke opvattingen theatraal
vorm te geven.
De kamers hadden maatschappelijke macht. Stadsbesturen
gebruikten die om vorsten stedelijke standpunten duidelijk te maken,
het volk leiding te geven, de melancholije te verdrijven en de mensen
ter goeder devotiën te stemmen.
Rederijkerskamers kwamen ook bij elkaar op bezoek om naar elkaars
stukken te kijken en het met elkaar gezellig te hebben.
Van een uitwisseling tussen Leuvense en Bossche kamers is in de
beschikbare bronnen niets terug te vinden. Waarschijnlijk is de
afstand de belemmering geweest.
Daarnaast hielden met name de Brabantse rederijkerskamers
onderling wedstrijden in voordracht, toneelopvoeringen en mooiste
uitdossingen, de gekste zot en origineelste praalwagens tijdens de
intochten wanneer men de ontvangende stad binnenkwam.
Het Brabants landjuweel
De reeks van theaterwedstrijden in de late Middeleeuwen die
aanspraak kan maken op de aanduiding Landjuweel of nog beter
Brabants landjuweel, begint om onduidelijke redenen in Mechelen
in het jaar 1515.
Er zijn nauwelijks documenten om een beeld van deze eerste
ontmoeting van Brabantse rederijkerskamers te krijgen.
Kamers uit Antwerpen, Mechelen en Herentals en Lier waren erbij.
Moyses Bosch uit ’s-Hertogenbosch, in die tijd ook wel Moyses
Doirn genoemd, ontbrak.
Alle vijf de Leuvense kamers deden wel mee: De Roose (1406), het
Kersouwken opgericht in 1473, de Peterseliewortel (1482), de Lelie
(1483) en de Pensee (1488). De Roose won en de andere kamers uit
Leuven vielen buiten de prijzen.
Aan de Leuvense Roos de eer de tweede wedstrijd in te richten.
De Roose was hiermee vereerd. Deze kamer toonde dat ze ook tot
zoiets in staat is. De Roose beschikte over een langdurige staat van
dienst en genoot een aanzienlijke reputatie in het organiseren van
toneelactiviteiten in de stad.
Zo ratelt in het voorjaar van 1470 - de ’s-Hertoghenbossche kamer
Moyses Doirn bestaat vermoedelijk nog niet - op een vroege
ochtend in Leuven een bespannen kar door de straten in de richting
van de Sint-Pieterskerk. Naast de kar lopen Jan Borremans, de
teugels in zijn handen en enkele van zijn knapen. Op de kar liggen
stelhouten en planken, touw, nagels en hamers en ander gereedschap.
Het paard trekt een behoorlijke last.
Bij een van de kapelletjes die aan de kerk vastzitten, laden zij de
wagen af en beginnen met hun timmerwerk: er moet een stelling
komen ten behoeve van de opvoering van
tspel vanden casteele der
zielen door de Rozelieren dat morgen en overmorgen voor het
stadsbestuur
en andere heren en vrouwen zal worden opgevoerd. De
Roose is gevraagd om de hooggeplaatsten te vermaken in opdracht
van het stadsbestuur.
Ondertussen zijn de decorbouwers in een werkplaats aan de
Tiensestraat de laatste hand aan het leggen aan het casteel waarvoor
hout, nagels, lijnwaad en stof is aangekocht. Het is een mooi bouwsel
waarin twee poorten zijn aangebracht voor de opkomsten en het
verdwijnen.
De vrouwen die de kostuums hebben gemaakt melden zich in de
werkplaats. Een van hen heeft zich uitgedost in een duivelskostuum
compleet met
sduvelsborsten. De bouwers lachen zich een kriek om
de uitdagende vrouw die wulps een dansje met haar deinende
duivelsborsten uitvoert. Dan maakt de factor, die het stuk heeft
geschreven en geregisseerd, snel een eind aan deze grappen en
grollen en dirigeert hen met kasteel en kostuums naar de Sint-
Pieterskerk.
Borremans wijst er de aangekomen factor nog even op hoe de
poorten van het kasteel het best op de stellage kunnen worden
aangebracht.
Voor de avond valt, nemen de spelers het stuk door. De factor is
tevreden. De tekst zit er bij de spelers goed in. De hooggeplaatste
Heren en Dames krijgen morgen “
stichting ende vermaeck”. Hij
stuurt zijn acteurs naar huis en de twee gezellen die de stelling deze
nacht zullen gaan bewaken, nemen stoer hun plaatsen in. Die nacht
blijft het rustig. Enkele dronken dorpers die zich wensen te
ontlasten, duwen zij weg. Het tijdelijke openluchttheater blijft
proper.
De twee volgende dagen valt het stuk zeer in de smaak van het volk
en de hoge Heren en Dames; er wordt gelachen, gestampvoet en
geklapt. De Roose mag tevreden zijn.
De Leuvense Roose organiseert het tweede landjuweel
Achtenveertig jaar later,op de eerste zondag in september 1518
ontving de stad Leuven tezamen met haar oudste en belangrijkste en
tevens organiserende rederijkerskamer de Roose, minstens twaalf
kamers afkomstig uit de Brabantse steden Lier, Herentals, Diest,
Mechelen, Antwerpen en Brussel. Leuven mocht namelijk als
winnaar van het eerste Brabantse landjuweel in Mechelen, het tweede
landjuweel organiseren.
Weer was ’s-Hertogenbosch er niet bij. Waarschijnlijk wel de
overige vier Leuvense kamers: Kersouwe, Pensee, Peterselie en
Lelie.
Tussen de vijf Leuvense kamers bestond enige onderlinge rivaliteit:
men mocht op straffe van een fikse boete de
secreten van de eigen
kamer niet doorvertellen en leden mochten zich na opzegging niet
binnen het jaar verbinden aan een andere kamer.
De Roose was in die dagen de belangrijkste kamer: zij was in 1444
benoemd tot Soevereine Kamer van Brabant. Zij mocht nieuwe
kamers installeren en haar reglementen tot voorbeeld laten zijn voor
nieuwe kamers. De andere vier Leuvense kamers zijn inderdaad met
hun “
Chaerte” (reglement) schatplichtig aan de Roose.
Veel is niet bekend van dit tweede landjuweel, wel dat hier de kiem
is gelegd voor een jarenlange twist tussen de rederijkers uit Lier en
Herentals over wie nu het eerst de kerk in mocht, wie het eerst de
kerk uit mocht, wie het eerst mocht gaan zitten, enzovoort. De
“kwestie” sleepte zich van 1518 tot aan 1561 voort.
De steden in Brabant zagen in de wedstrijden tussen de kamers
kansen om hun macht en grandeur te manifesteren. Ze hadden er geld
voor over.
De stedelijke overheid van Diest ondersteunde twee in Leuven
deelnemende kamers: de Lelie kreeg een flink bedrag voor
als sy te
Lovene reysden op dlantjuweel. De kamer genaamd De
Christusoogen kreeg eenzelfde bedrag ten behoeve van huerer reysen
nae lovene inde feeste vander rethoryken. Deze kamer won en zal
drie jaar later het derde Brabantse landjuweel organiseren.
Ook tijdens dit derde landjuweel in 1521 in de Brabantse stad Diest,
vertegenwoordigde geen Bossche kamer de stad ’s-Hertogenbosch.
’s-Hertogenbosch eindelijk van de partij
Het is de stad Brussel met haar rederijkerskamer het Mariakransken
die als winnaar van dit derde landjuweel in Diest uit de bus komt.
Het Mariakransken mag de Brabantse rederijkerskamers gaan
ontvangen. Het duurt wel even maar in 1532 is het zover.
Waarschijnlijk is het centrale gezag terughoudend geweest indachtig
de betrokkenheid van rederijkers bij het propageren van
reformatorische ideeën. In de lente van 1532 krijgt de Brusselse
kamer toestemming
om te mogen opstellen een lantjuweel vander
retorycke voerde gesellen vander Retorycke van Ste Maria Cransken
te bruessel. Het Mariakransken richt het vierde landjuweel in.
Leuven is vertegenwoordigd met twee kamers: de Roose en de
Kersouwe en voor het eerst neemt de ’s-Hertogenbossche kamer
Moyses’ Bosch aan het Brabantse landjuweel deel.
Leuven valt niet in de prijzen maar de nieuwkomer Moyses’ Bosch
wel: op 28 juli 1532 ontvingen zij drie zilveren prijzen. Voor welke
prestaties is niet te achterhalen, maar drie maal op het erepodium
maakt indruk.
De grootste indruk echter, maakt de Mechelse kamer de Peoene: zij
wint de prijs van de mooiste intocht en
de spelene oft battementen.
En dus was Mechelen aan de beurt voor de organisatie van het vijfde
landjuweel.
Deze wedstrijd in Mechelen vond plaats in juli van het jaar 1535.
Leuven was met drie kamers nadrukkelijk aanwezig maar helaas
weer geen zilveren roem voor de oudste Brabantse stad.
’s-Hertogenbosch schitterde opnieuw door afwezigheid.
De Leliebroeders uit Diest waren de betwistbare winnaars. Met name
de kamers uit Antwerpen waren het oneens met de uitslag. Maar hoe
dan ook, de Diestenaren gingen de landjuweelcyclus voortzetten.
Niet na drie jaar maar na zes jaar. In de eerste weken van augustus
1541 ontvangt de Leliekamer van Diest elf gezelschappen uit
verschillende Brabantse steden. Leuven is er met de Roose en ’s-
Hertogenbosch met Moyses Bosch.
Geen van beide kamers weet zich in het licht der brandende toortsen
te plaatsen. Het is de Antwerpse kamer de Violieren die met de eer
gaat strijken en die het zevende en laatste landjuweel uit de eerste
Brabantse cyclus moest gaan opzetten.
Maar het gist in de Lage Landen. Het broeit in de Lage Landen. Het
explodeert in de Lage Landen. De katholieke overheid verzet zich
hevig tegen leerstellingen van Luther, Calvijn en andere hervormers.
Pas over 20 jaar mogen de Violieren, de winnende Antwerpse kamer,
hun Brabantse zustersteden uitnodigen voor het zevende toernooi.
Rederijkers: humanisten, hervormers en slachtoffers
De stedelijke elite in de late middeleeuwen heeft op de Latijnse
School haar onderwijs genoten: vooral grammatica, logica en
kennismaken met het filosofisch gedachtegoed van de Ouden. Zij
vormde de bestuurders van de stad, die zaken wisten te organiseren.
Zij bezat vaardigheden kennis vergaren. Zij bezit vaardigheden als
Latijnse teksten lezen, standpunten innemen, welluidend en
overtuigend spreken, zuiver redeneren, helder schrijven. Geen
wonder dat rederijkers, voornamelijk mannen, juist uit die stedelijke,
intellectuele elite afkomstig zijn.
In ’s-Hertogenbosch is er een Latijnse school. Leuven heeft een
Latijnse kloosterschool en een stedelijke Latijnse school. Bovendien
herbergt Leuven de oudste universiteit der Lage Landen, waar onder
anderen Erasmus doceerde.
Veel Bossche scholieren trokken na hun studie aan de Latijnse
school naar de Leuvense universiteit om hun educatie te voltooien.
Erasmus is met zijn colleges in Leuven en zijn publicaties zoals de
Lof der Zotheid, een inspiratiebron voor rederijkers. In veel van hun
gedichten en toneelstukken zijn staaltjes van Erasmiaanse
redeneerkunst te lezen. Vooral de twistgesprekken tussen
allegorische personages als bijvoorbeeld
waerheyt , dueght en
ghelove in tafelspelen en spelen van sinne toonden een humanistische
geest van tolerantie, redelijkheid en vrede.
Ondanks de matigende invloed van Erasmus op de rederijkers, maakt
de Reformatie krachten los die rederijkers verleiden tot uitdagende
en spottende teksten.
In 1520 geeft de bisschop van Luik de opdracht teksten van Maarten
Luther te verbranden. In 1521 vindt er in Antwerpen een massale
boekverbranding plaats: 400 boeken met Lutherse teksten worden
verast.
Tijdens het Gentse rederijkersfestival in 1539 geven 19 kamers in
hun spelen van sinne antwoord op de tevoren opgegeven vraag
Welc
den mensche stervende meesten troost es?
In de retoricale antwoorden nemen de auteurs van de meeste spelen
afstand van het instituut kerk met zijn sacramenten. De
genademiddelen van de heilige moederkerk spelen een bijrol of
helemaal geen rol. De toeschouwer ziet hoe hij zich met God kan
verzoenen zonder de verplichte kerkelijke rituelen.
Tijdens hetzelfde festival droeg men ook de refreinen voor die het
antwoord vormden op de wedstrijdvraag
“wie toont er in de wereld
de grootste dwaasheid?” De rederijkerskamer uit Tienen bespotte de
minderbroeders door hen voor te stellen als zotten, viezeriken,
zuipers en dikzakken.
Doordat de rederijkersteksten van dit refreinfeest snel in druk
beschikbaar kwamen en gretig aftrek vonden, verspreidde de
reformatorische ideeën en de satire op de katholieke geestelijkheid
zich snel over stad en platteland. Maar de contrareformatie
organiseert en verweert zich. De vervolging van ketters neemt steeds
gewelddadiger vormen aan.
De eerste martelaar in de Nederlanden was de Bosschenaar Hendrik
Vos. In juli 1523 werd hij op de Grote Markt in Brussel verbrand
omdat hij de leer van Luther openlijk uitdroeg.
In ’s-Hertogenbosch, drie jaar later, veroordeelde een rechtbank
negen mannen en vrouwen wegens hun Lutherse ideeën tot
gematigde straffen omdat de negen hun opvattingen afzwoeren. Wel
werd hun Lutherse lectuur in beslag genomen en verbrand.
In Amsterdam vernedert de magistratuur in 1539 een rederijker door
hem te dwingen in een processie mee te lopen met een boek waarop
met grote letters te lezen staat: dit is Martini Lutheri boeck.
De Katholieke Kerk oefent grote druk uit op de vorsten en stedelijke
machthebbers om de hervormende krachten het hoofd te bieden. In
1527 bepaalt Karel de Vijfde in een plakaat dat er geen
toneelstukken mogen worden opgevoerd die niet tevoren zijn
beoordeeld door de plaatselijke overheid. Bovendien mogen
rederijkers geen spelen vertonen die gaan over heylige stoffen.
Ondanks de repressie blijven rederijkers hun standpunten via hun
teksten ventileren. De lokale overheden treden namelijk veel milder
op tegen de rederijkers dan kerk en staat van hen verwacht.
Naar mate de invloed van de Calvinistische en Lutherse ideeën in de
Lage Landen groter wordt, neemt de onderdrukking in extreme mate
toe.
De eerste bisschop van ’s-Hertogenbosch, Franciscus Sonnius, wijst
in 1551 op het misbruik van de retorica om dwaalleren te
propageren.
In 1560 staat er in een plakaat dat rederijkersteksten en liederen die
offenderende directelick oft indirectelick de catholijcke religie ofte
geestelicke persoonen niet mogen worden vertoond op straffe van de
strengste maatregelen.
We zijn zes jaar verwijderd van de Beeldenstorm.
Het Antwerps landjuweel in 1561
Vijf jaar verwijderd van deze verwoestende turbulentie, in 1561, en
twintig jaar na de laatste wedstrijd in Diest, heeft de Antwerpse
rederijkerskamer de Violieren het voor elkaar gekregen om in deze
woelige tijden van religieuze onlusten de kroon op de Brabantse
landjuwelencyclus te gaan zetten.
Deze zevende wedstrijd tussen Brabantse kamers was een waarlijk
volksfeest. De deelnemers, vijftien kamers uit grote en kleinere
Brabantse steden, waren zeer talrijk, wel meer dan honderd per
kamer! En dan de duizenden Antwerpenaren die het schoon inkomen
en de voorstellingen bijwoonden en die achteraf terugkeken op een
soo herlicken feeste als men binnen Antwerpen nyet gesien en heeft
gehadt.
Antwerpen ventte zich uitbundig uit als dé stad van de koophandel
die de inwoners grote economische voorspoed bracht.
Op zondag 3 augustus 1561 trekken de kamers vanaf de Sint
Jorispoort via o.a. de Huidevetterstraat naar de Grote markt met 1328
ruiters, 23 antieke wagens en 196 met toortsen verlichte praalwagens.
Pas om twee uur ’s nachts waren alle kamers op de Grote Markt.
Moyses’ Doorn, voorlaatste in de enorme stoet, presenteerde zich
met 125 gildebroeders, 123 paarden en 11 wagens. De analen
schrijven:
“Den vierighen doern van ’Shertoghenbossche, 125
guldebroeders te peerde, gekleet in groene rocken met gouden
passement gheboort, met een root hanghende mouken, wambuysen,
coussen, hoeyen, oick root met witte plumagien ende zwerte
leerskens, eenen ghecierden antychen waghen met personagien, thien
waghens overdeckt met groen ende root lakenen, op elck twee
guldebroeders ende vier toortsen, den sot segghende: salt soo syn.”
De inkomst van de enig deelnemende Leuvense kamer, de Roose, is
nauwelijks beschreven. Ze viel niet in de prijzen. Moyses’ Doorn
overigens ook niet. Maar er waren meer prijzen te winnen: voor het
spel van sinne, de prologhe, het poetelyck punt, factie en liedeken.
Ook nog voor het beste personagie en de beste sot en vooral voor het
esbattement waarmee het landjuweel gewonnen kon worden. Niet
verwonderlijk dat we, levend in de eenentwintigste eeuw, hier
denken aan Oscar-nominaties avant-la-lettre.
De jury bestond uit één vertegenwoordiger van elke kamer, voor de
Leuvense Roose was dat Henderick de Muyser en voor Moyses’
Doorn, hun factor, Jacob Cassyer.
Ondanks allerlei kritiek op de gang van zaken en twee noodzakelijke
stemmingen, waarbij de Roose beide keren niet op Moyses Doorn
stemde, riep de jury Moyses Doorn als winnaar uit om te ontvangen
den hooghsten prys van het esbattement, te weten seven silveren
schalen en won daarmee het Antwerps landjuweel van 1561.
Op 31 augustus 1561, inmiddels luiden klokken uit vele Bossche
torens vreugdeklanken, is er spoedberaad tussen een van de
schepenen en enkele gildemeesters in het stadhuis van ’s-
Hertogenbosch. De bode, Anthonius Leydecker, heeft niet alleen het
grote nieuws van de overwinning van Moyses Doorn op het
stadhuisbordes omgeroepen maar ook een brief overhandigd waarin
staat dat de rederijkers op 14 september in hun stad zullen
terugkeren. Een groots onthaal verdienen zij.
In de vroege ochtend van 9 september wrikken de timmerlieden
stenen uit het plaveisel, graven gaten en plaatsen palen. Ze meten en
passen en na drie dagen werk staan er langs de route die de talrijke
rederijkers van Moyses’ Doorn zullen gaan, 35 pektonnen op de
geplaatste staken en honderden pekworsten. Vooral de Markt met het
stadhuis moest feestelijk verlicht zijn om de banen groene en rode
lakense stof -de kleuren van Moyses Doorn- goed in het avondlijk
zicht te brengen.
Dan is het zover: op 14 september 1561 trekt een enorme stoet door
de rijkversierde Pickepoort de stad binnen. Voor zowel de poorters
als de rederijkers is het een schitterend schouwspel.
De stad ’s-Hertogenbosch heeft kosten noch moeite gespaard om de
kamer die de stad zo succesvol in Antwerpen wist te
vertegenwoordigen, feestelijk te onthalen. Iedereen is blij en trots een
Bosschenaar te zijn.
In kapitel 7 van de stadsrekening uit 1561 is te lezen:
“Item den 14e
september besconcken, den prinche metten gemeyn gesellen van der
camere van Rhetorica, genoempt Moyses Doiren, bynnen deser stadt,
als zij het lantjuweel tot Antwerpen gewonnen, inne haelden, voer
ene propine ende gratuiteyt, drie amen wyns (bijna vijfhonderd liter!)
tot Jan Robben gehaelt, de aemen affgetoigen de accyns 16
guldens.”
Dan is er nog een “after party” voor de bevolking: op 27 september
speelt Moyses Doorn het winnend esbattement op een groot
opgebouwd podium met langs drie zijden opgestelde tribunes.
Opnieuw verlichtten de pektonnen de trotse rederijkers die hun
stemmen extra aanzetten om de inhoud en de humor van hun
esbattement ook op de Bossche bevolking over te brengen. Dat lukt
en menig herbergier in de kroegen rond de Markt doet na afloop
goede zaken.
Wie de “eventmanager” is geweest die deze festijnen heeft
georganiseerd, is niet te achterhalen maar wat hij bewerkstelligde,
zinderde nog jarenlang door in de meest noordelijke hoofdstad van
Brabant: ’s-Hertogenbosch.
’s-Hertogenbosch mocht met Moyses Doorn aan het begin van een
nieuwe cyclus van Brabantse landjuwelen staan! Nu zelf met twee
kamers want een andere Bossche kamer, de Passiebroeders, zag haar
verzoekschrift deel te mogen nemen aan het volgende landjuweel
gehonoreerd.
Vijf jaar later: Beeldenstorm. Zeven jaar later: de hertog van Alva
verbiedt elke rederijkersactiviteit. Volgende jaren: oorlogen,
godsdienstige twisten. Rede en vrede, retoricaal verbeeld, verzonken
en verdronken.. é geen nieuwe cyclus.
Geraadpleegde literatuur
- E. van Autenboer, Het Brabants landjuweel der rederijkers
1515-1561, Middelburg, 1981
- C.A.K. van den Berk, De rederijkerskamer “Moyses
Vierighe Bosch” te ’s-Hertogenbosch, ’s-Hertogenbosch,
1969
- R.L. Erenstein hoofdred.), Een theatergeschiedenis der
Nederlanden, Tien eeuwen drama en theater in Nederland
en Vlaanderen, Amsterdam 1996
- Carolien De Hertogh, Verenigings- en feestleven te Leuven in
de vijftiende eeuw, Leuven, 2004
- P.TH.J. Kuijer, ’s-Hertogenbosch, stad in het hertogdom
Brabant ca. 1185-1629, Zwolle/’s-Hertogenbosch, 2000
- Rick de Leeuw e.a., Rederijkerskamer ’t Mariacranske, 500
jaar aan het woord, Roeselare, 2007
- Herman Pleij, Het gevleugelde woord, Geschiedenis van de
Nederlandse literatuur 1400-1560, Amsterdam, 2007
- P. van der Sluys, Van stomme vertoning tot levend toneel,
Bossche rederijkers in verleden en heden, ’s-Hertogenbosch, 1978
De Geschiedenis van de Rederijkerij
deel 58 tris
Een calvinistische republiek te Gent
De Nederlanden kunnen zich nog steeds écht verenigen. De oude
tradities van stedelijke onafhankelijkheid steken weer de kop op,
waarbij Gent natuurlijk alweer voorop staat.
Na de 'Pacificatie' komen trouwens de ware bedoelingen van de
Gentse calvinisten al snel aan het licht. In Gent zullen de
ontwikkelingen tamelijk hevig zijn. Gent, de altijd zo lastige en
eigengereide stad. Op 15 oktober 1577 verleent de Staten-Generaal
het herstel van recht en privileges die indertijd in 1540 bij de laatste
bestraffing van de stad door Karel V, door hem waren afgenomen.
Door de 'Pacificatie van Gent' is bovendien het licht op groen gezet
voor de terugkeer naar onze contreien van allerlei politieke en
religieuze oproerkraaiers geleid door de West-Vlaamse predikant
Pieter Datheen. Gent leeft in die eerste dagen dan ook in een soort
euforie.
Het lef van de calvinisten wordt groter en groter. Ze zijn er zelfs van
overtuigd dat de eenrichtingspacificatie van 1576 de rooms-
katholieke positie heeft uitgehold. In Gent zijn ze zelfs zo
zelfverzekerd dat er, met het stilzwijgend akkoord van Willem van
Oranje, op 25 oktober 1577 een machtsgreep plaatsheeft, waarbij
Frans van Kethulle, heer van Ryhove (1531-1585), en de patriciër
Jan van Hembyze, allebei vurige aanhangers van Willem van Oranje,
leidende rollen vervullen. Extreme calvinisten richten er een
theocratie op volgens het model van Genève.
Hoge edelen en geestelijken (met onder meer de bisschoppen van
Brugge en Ieper), die naar Gent zijn gekomen om een vergadering
van de Staten van Vlaanderen bij te wonen, worden door hen
schaamteloos aangehouden en gevangen gezet. Aarschot, de in de
stad verblijvende en pas benoemde stadhouder van Vlaanderen en
vooraanstaande leden uit zijn gevolg worden eveneens
gevangengezet. Het volk in de stad wordt bewapend en onder bevel
van Ryhove gesteld. Naar Brussels voorbeeld wordt een comité van
XVIII gekozen, verantwoordelijk voor het bestuur van de stad.
Enkele maanden later zal Gent een echt revolutionair centrum voor
heel Vlaanderen worden, dat ook de verspreiding van de Hervorming
bewerkstelligt. De macht van de XVIII ontwikkelt er zich zelfs tot
een hervormde dictatuur, die met de oude kerk wil afrekenen.
Gent drijft het zelfs zo ver, dat ze Willem van Oranje officieel,
triomfantelijk in de stad ontvangen op 29 december van dat zelfde
jaar. Hierbij ontwerpt Lucas de Heere andermaal de
stadsversieringen. Tijdens de festiviteiten voert de Gentse
rederijkerskamer 'Jhesus met der Balsembloume' het
gelegenheidsspel “Judas Macchabeus, strijdend voor het vaderland”
op. In een refrein wordt hij in messiaanse termen verwelkomd als een
vredevorst, die komt in naam van de Heer en wiens voetpaden
“lieflick” zijn. Bij zijn vertrek in januari 1578 biedt Lucas de Heere
hem nog een afscheidsrefrein aan waarin hij hem onder meer noemt,
“een Vader” “Die Syoen voren staet / met alle Gods
dienaeren”,
“een recht voester heer van Gods Kercke in de noot.”
Ook in Brussel wordt Willem feestelijk ontvangen. Hier is het een
andere rederijker, met name Jan Baptist Houwaert die de organisatie
ervan in goede banen leidt.
Bij de beide intreden valt op dat zowel bij De Heere als bij
Houwaert, wat de aankleding betreft, de voorkeur gevallen is op
toneel en op het gebruik van de volkstaal. De opschriften, de namen
van de personages en de teksten zijn uitsluitend in het Nederlands.
Daarenboven zijn het voornamelijk bijbelse, allegorische
voorstellingen die in de beide steden het meest aan bod komen. Ook
vocale en instrumentale muziek staan op het programma. In Gent en
Brussel staat bovendien de medewerking van de rederijkerskamers
centraal. Opvallend is, dat er geen triomfbogen worden opgericht.
Wellicht heeft dit te maken met het feit dat Oranje geen landsheer is
of diens plaatsvervanger.
Meteen wordt ook het startsein gegeven voor de vervolging van de
rooms-katholieke eredienst. De katholieken mogen onder geen
beding hun geloof vrij belijden, priesters en kloosterlingen worden
aangevallen en verdreven, kerken 'gezuiverd', en gevangen genomen
katholieken worden terechtgesteld.Deze vervolging loopt uit in een
tweede beeldenstorm in augustus 1578. Tijdens deze storm wordt er
onder andere in de Sint-Baafskathedraal brand gesticht. Later zal de
kathedraal gebruikt worden als tempel van de reformatie. De
calvinisten hebben inmiddels het idee opgevat om 'Het Lam Gods' als
geschenk te sturen aan de Engelse koningin Elisabeth I. Alleen hevig
protest van de eigenaars ervan kan dit verhinderen. De augustijnen
krijgen het opnieuw zwaar te verduren. Twee broeders worden op 28
juni 1578 op de Gentse Vrijdagmarkt verband. Hun klooster wordt
volledig vernield. Enkel de keuken en de refter kunnen aan de
verwoestingen ontsnappen. Als toppunt trekken de calvinisten zonder
scrupules een straat door hun eigendom. De torens van de kerken van
de predikheren en de minderbroeders worden afgebroken. In juli
1580 worden de dominicanen uit hun pand verdreven. De calvinisten
brengen er hun universiteit in onder. De abdijkerk van Sint-Pieters en
de Sint-Niklaaskerk worden volledig onteerd en vernield. Zelfs het
onschuldige begijnhof van O.-L.-Vrouw ter Hage wordt geplunderd.
Ook de Sint-Jacobskerk kan niet aan de vernielingen ontsnappen en
krijgt het zwaar te verduren. Het orgel en het torenhuisje van het
Heilig Sacrament, allebei pas hersteld na de eerste beeldenstorm en
nog niet volledig afbetaald, moeten er opnieuw aan geloven. De
gebeeldhouwde altaartafel uit de gildenkapel van 'Maria Ter Eeren'
wordt stuk geslagen. Vervolgens wordt de kerk in gebruik genomen
als paardenstal en doet verder ook nog dienst als schuilplaats voor de
boeren die met al hun bezittingen (inclusief hun vee), op de vlucht
voor de soldatenbendes die het platteland in de omgeving van Gent
afschuimen, daar een onderkomen hebben gevonden.
(vervolgt ) Jan Rooms
Vieringen
Rederijkerskamer De Leliebloem Brussel
Op 15 september 2012 vierde de toneelvereniging KTV De
Noordstar haar 140-jarig bestaan in het Brussels stadhuis.
Namens het Verbond waren Nicole Gits en Thierry Hermans
aanwezig, samen met tal van genodigden en sympathisanten.
Voor OPENDOEK vzw Amateurtheater Vlaanderen sprak provin-
ciaal voorzitter Bert De Munter en overhandigde een erediploma aan
de jarige vereniging. Chantal Boeckmans, Jef Dewit, Roland Van
Campenhout, Geert Vandendriessche en Luc Vanvolsem werden
gehuldigd voor hun 25 jaar trouwe inzet in de toneelwereld.
Leo Camerlynck, voorzitter van de Stichting Zanekin en van de
Orde van de Prince van Edingen, sprak over de rederijkerij in ons
land en ver buiten onze grenzen.
Tot slot dankte de voorzitter Luc Collin en kondigde aan dat in 2016
de vereniging het 650-jarig bestaan van de rederijkerskamer De
Leliebloem zal vieren met een ganse reeks activiteiten.
Deze luchtige academische zitting, waarin zowel een stukje
straattoneel als kindertoneel en revue aan bod kwamen, werd
besloten met een vriendschapsdrink, aangeboden door de stad
Brussel
Voor Taal en Volk Ronse - Rederijkerskamer De Wijngaard
Deze toneelvereniging die in1997 de titel van rederijkerskamer De
Wijngaard opnam vierde het 100 jarig bestaan.
Nadat zij dit jaar aanwezig waren op het congres in Breda hopen wij
hen ook de komende jaren opnieuw op onze congressen te mogen
begroeten en hopen hen ook als deelnemer aan onze
“rederijkersjuweel” wedstrijden te mogen verwelkomen.
Congres 2014
Tijdens dit congres plannen wij opnieuw een wedstrijd om het
rederijkersjuweel op basis van het principe voor de eerste maal
toegepast op het congres in ’s Hertogenbosch.
Als toneelwerk is onze keuze gevallen op een eenakter van ons
overleden bestuurslid en hoofdman van De Fonteine Freddy Van
Besien.
In de komende weken zullen wij de kamers meer info verstrekken
over deze wedstrijd.