0
De Voorzitter, | De Penningmeester, |
Johan De Rijck | Willy De Meyer |
Het is een voorbeeldig stel dat zich hier presenteert. Niet alleen vanwege de moraal die ze uitdragen maar ook door de ‘roerende’ eensgezindheid waarmee ze het doen. Het rondeel laat immers eerst de man het A- en de vrouw het B-vers spreken maar wisselt dit bij het afsluiten om. Later zal in het spel echter blijken dat de harmonie in dit huwelijk op een leugen steunt, meer bepaald op de onwetendheid en de domheid van de man versus de sluwheid van zijn vrouw in het verbergen en ontkennen van het feit dat hij niet de vader van twee van ‘hun’ drie kinderen is. Maar in ons rondeel gaat het over het zuur verdiende brood dat ‘zalig’ smaakt. De opvatting dat de moeite die men voor iets doet het genot ervan gunstig beïnvloedt, teert en speculeert op gevoelens van trots en tevredenheid over de eigen of, in dienstbare samenwerking, vereende kracht waarmee het is verworven. Iets van die voldoening klinkt in het rondeel echter alleen in het A-vers door. Dat wordt gelukkig driemaal uitgesproken en is met zijn charmante bondigheid poëtisch sterk genoeg om voor een ‘troostend’ evenwicht te zorgen. Alle andere verzen blijken namelijk meer de nadruk op het ‘zure’ verdienen dan op het ‘zalige’ bezit of gebruik te leggen. Expliciet is dat het geval in de verzen 3 en 5 waarin we vernemen dat ‘het’, dit is het (zalige) brood, als ‘lijdend voorwerp’ respectievelijk ‘pacientich beaerbeyt [met geduld en moeite verworven]’ wordt en te ‘beslaeven [met hard werken te winnen]’ is. Maar ook het B-vers lijkt met zijn restrictieve 20 formulering ‘ten mach anders wesen niet’ meer op het ‘zure’ als voorwaarde of middel dan op het ‘zalige’ resultaat te wijzen. Gekoppeld (met een niet-Diet-rijm bovendien) aan het ‘meewerkend voorwerp’ in vers 3 luidt dat dan: ‘alleen zo gaat / lukt of werkt het (ten minste) voor wie het (= ‘zalige’ brood) verduldig tot leniging van zijn levensbehoeften met werken verdient’. Concreet op hun eigen leefwereld betrekt De Man de ‘zure’ arbeid pas in vers 6 met een verwijzing naar ‘deze vliet’ waarin het voor iedereen (‘cleen ende groot’) moeilijk vissen is. Uit de onmiddellijk op het rondeel volgende verzen blijkt dat met dit vissen hun eigen activiteit omschreven is, wat het publiek natuurlijk al wel eerder aan allerlei attributen gemerkt zal hebben. Op hoop van rijker vangst begeeft het paar zich in het spel al vlug op zee. Wanneer daar plots een storm opsteekt, roept de man het Heilig Bloed (in Brugge) en de vrouw ‘Sinte Michiel buten Brugghe’ aan. We zullen hun ‘vliet’ dus in het Brugse maar ook niet te ver van de zee moeten situeren: in de Zwinmonding wellicht, in de buurt van Sluis misschien. Het Esbatement van den Visscher is niet gedateerd maar wordt in het handschrift waarin Everaert 35 van zijn spelen heeft neergeschreven omringd door acht stukken die tussen 1526 en 1531 vervaardigd zijn. Zowat een eeuw na Everaert lezen we in de embleembundel Spiegel vanden ouden ende nieuwen tijdt (1632) van Jacob Cats onder meer: ‘Al wat men heeft besuert, dat wort met vreugt gegeten / En dat wat moeyte kost, dat wort met lust beseten’ of, kort en goed: ‘De moeyte wet [scherpt] de lust’. Cats illustreert deze gedachten aan de hand van een jager en een jonge vrijer. Beiden vinden geen plezier in wat in een sententie als ‘geboden dienst’ wordt samengevat. De eerste vindt meer smaak in een snelle haas die hij, ‘niet sonder sweet en sonder stof’, al dravend en met ‘moede leden’ heeft weten te vangen dan in een beest dat zich zomaar ‘sonder loop’ ‘den jager biedt’. Hetzelfde geldt voor de jongeman wiens liefde meer wordt aangevuurd door een weerbarstige vrijster dan door een gewillige vleister. ‘Neem van de liefde moeyt’ en pijn / De liefde en sal geen liefde zijn’ concludeert de dichter in dit verband. Bij alle overeenkomst vertoont de voorstelling van Cats toch een fundamenteel verschil met die van Everaert. Onbekommerd biedt de Zeeuwse dichter zowel de jager als de vrijer twee mogelijkheden aan waarvan beiden de meest ‘sportieve’ kiezen. Voor het visserspaar in Everaerts rondeel is er geen keuze. Het centrale begrip is er niet voor niets ‘brood’, in de algemenere betekenis van voedsel als eerste levensbehoefte. In zijn strijd voor het bestaan (‘tsynder noot’) kan het paar wel niet anders dan zich lijdzaam (‘pacientich’) in te spannen. Vissen die zich zomaar aanbieden kunnen dan misschien wel in een leugenfantasie als het ‘Luilekkerland’ bestaan, maar niet in of bij een reële ‘vliet’. Juist wie, zoals onze lakenvoller en -verver Everaert, het ‘zalig’ vond ‘de arbeid van zijn handen te eten’ (om het met de woorden van Psalm 128 te zeggen), zal ook goed hebben beseft dat niet iedereen de mogelijkheid tot zelfredzaamheid gegeven was. Sommigen waren en bleven nu eenmaal van de hulp of de zorg van anderen afhankelijk en daar konden ze eigenlijk alleen maar om ‘bidden’. Zo bijvoorbeeld de blinde die in Everaerts Spel van Maria ghecompareirt by de Claerheyt (1511-12) zijn entree niet zal hebben gemist. Na het zingen van een kort Marialiedje van zeven verzen spreekt hij het volgende rondeel:
- De Man
- Suer broot, salich broot.
- tWyf
- Ten mach anders wesen niet
- De Man
- Diet pacientich beaerbeyt tsynder noot.
- tWyf
- Suer broot, salich broot,
- De Man
- Sy moetent beslaeven, cleen ende groot,
- Die visschen willen in desen vliet.
- tWyf
- Suer broot, salich broot.
- De Man
- Ten mach anders wesen niet.
Zendt, zendt, zendt, Maria, wilt zendenWeer overstijgt de spreker zijn subjectieve ik door zijn situatie veralgemenend tot die van een collectieve of meervoudige derde persoon te objectiveren: ‘den aermen blenden’ en ‘den onbekenden’. Het is alsof de vaste, gesloten vorm van het rondeel sommige personages ertoe heeft verleid om hun persoonlijke problematiek te sublimeren tot een onderwerp voor een min of meer zelfstandig gedichtje dat ook los van de spreker kon staan. Hier gaat het dan om een gebedje dat een slim gebruik van de drievoudige herhaling van het A-vers heeft gemaakt. Door in dit vers vier maal - en in het volledige rondeel dus twaalf maal - de adhortatief ‘zendt’ of ‘wilt zenden’ te laten uitspreken, krijgt het geheel wel een ongewoon bezwerend karakter. In het spel worden Maria’s deugden met verschillende eigenschappen van het licht vergeleken en het gedicht smeekt haar dan ook haar heerlijk stralende genade aan de blinde(n) te tonen. Misschien hoopt de spreker op een wonder voor wie het droevige lot beschoren is het fysieke gezichtsvermogen te moeten missen. Na de eerste herhaling van het A-vers blijkt het echter (ook) om verlichting door kennis van het verduisterde of verblinde hart van moreel of religieus onwetende(n) te gaan. Daarmee wordt ineens iedereen potentieel tot ‘blinde’ verklaard. Omdat de nodige ‘kennesse int herte’ specifiek van Maria als moeder der barmhartigheid (de ‘mater mesericordie’) wordt afgesmeekt, is met de ‘onbekende’ wellicht meer in ’t bijzonder de harteloze ziende bedoeld die ongevoelig blijft voor de noden van wie als blinde door het leven moet. Op minder begrip en mededogen van het publiek zullen de twee figuren hebben kunnen rekenen die de Haarlemse bontwerker en factor van de ‘Wijngaertrancken’ Louris Jansz (2de helft 16de eeuw) in zijn Tafelspel van twee Rabbowen liet optreden. Het gaat hier immers om twee ‘rabauwen’, landlopers of vagebonden die, zo blijkt ook metterdaad uit hun collegiaal gesprek, hun armetierig bestaan en voorkomen niet, zoals menige stadgenoot, aan economische of andere rampspoed te wijten hebben. Als ‘werkschuw tuig’ hebben ze integendeel bewust voor het klaplopen gekozen om op bedrieglijke wijze, ten koste van de echte armen, ‘professioneel’ van de bedelzak te leven. Voor beide rabauwen een hartelijke dialoog beginnen, presenteren ze zich elk afzonderlijk in een rondeel. Hier volgt het eerste, van ‘Deen’:
Den aermen blenden uwe gracie claer.
Die in deimsterheyt wandelt es vul alenden.
Zendt, zendt, zendt, Maria, wilt zenden
Kennesse int herte den onbekenden,
Want ghy moeder der ontfaermen zyt, voorwaer.
Zendt, zendt, zendt, Maria, wilt zenden
Den aermen blenden uwe gracie claer.
Waij ramp gans cramp, hoe stect mijn die claer,Men zou het als volgt kunnen vertalen: ‘Wat een ellende, hoe doet mij die verdomde steekpijn verkrampen! Je zou het er warempel benauwd warm van krijgen, wat overigens volstrekt niet door mijn kleren komt want die zijn niet bepaald zwaar. Wat een ellende, hoe doet me die verdomde steekpijn verkrampen! Hé, wie mag me daar bijten? Aha, ’t is er een van ’t gezelschap dat van zijn gastheer eet! Wat een ellende die verdomde pijn die me met haar doelgerichte steken ineen doet krimpen. Mij dunkt voorwaar dat ik het er benauwd warm van krijg’. Als het uit deze, door een zich krabbende acteur uitgesproken tekst nog niet duidelijk zou zijn geworden, dan blijkt verderop in het spel wel wie de parasieten zijn die van hun ‘meester’ eten. De man wordt flink door luizen geplaagd en op het einde van het ‘presentspel’ schenkt hij er ook twee aan het publiek. Het lichte plunje waar de spreker naar verwijst, is in de ironiserende literatuur over armoedzaaiers een stereotiep gegeven. Onze spreker kan er hebben bij gestaan zoals het beschreven wordt in een refrein dat een keur van lieden tot een bedevaart naar ‘sinte Heb-niet’ oproept. Als dresscode wordt de reizigers gevraagd een kleed te dragen dat van oude stukken aaneen is gelapt en ook moet men de tenen door de schoenen, de knieën en billen door de broek, de ellenboog door de mouw en het haar door de hoed laten kijken... Het tweede rondeel , dat in elk vers een binnenrijm heeft (in het vorige was dat alleen het geval in het A-vers dat wel nog een overlopend rijm met het B-vers oplevert), is met twee versregels uitgebreid, waarvan de laatste (alleen) rijmt met het eerste vers van de dialoog die volgt. We geven de monoloog van ‘Dander’ in zijn geheel:
Mijn dunct voirwaer ick sou schier sweeten;
Immers en doent mijn cleeren niet want sij sijn niet swaer.
Waij ramp gans cramp, hoe stect mijn die claer.
Hoe dus, wie bijt mijn daer?
Tis een van tgeselschap die van haer meester eeten.
Waij ramp gans cramp, hoe stect mijn die claer,
Mijn dunct voirwaer ick sou schier sweeten!
Gans plaech, mijn maech is heel gespleeten,Men kan het als volgt vertalen: ‘Vervloekte plaag! Mijn maag is tot splijtens toe geheel opengesperd. Mijn buik is plat, mijn wangen staan strak, mijn benen verzwakken, ik voel het constant. Verdomde plaag, gapend naar voedsel is mijn maag gespleten. Mijn darmen die kermen: ’t is niet te geloven het kabaal dat ze maken en hoe ze zich, naar eten verlangend, begerig roeren. Vervloekte plaag, mijn maag is gespleten, mijn buik is plat en mijn wangen staan strak: die denken dat mijn keel helemaal door de strop is dichtgesnoerd omdat ze hun rantsoen niet zo vaak meer ontvangen’. Toch wel pijnlijk allemaal. We willen onze revue dan ook graag met een onbezorgd tafereeltje besluiten en wel met het openingsrondeel van de dramatische monoloog Van ... een droncken Boer, die door droomen nuchteren wort van de Amsterdamse rederijker Gerrit Hendricksz van Breughel (eind 16de-begin 17de eeuw):
Mijn buijck is sluijck, mijn wangen verstrangen,
Mijn beenen vercleenen, ick en cans niet vergeeten.
Gans plaech, mijn maech is heel gespleeten,
Mijn darmen, die carmen, tis niet om weeten
Hoese craijen en graijen, naer eeten verlanghen.
Gans plaech, mijn maech is heel gespleeten,
Mijn buijck is sluijck, mijn wangen verstrangen,
Sij meenen al heel dat mijn keel is gehangen
Om datse niet ontfangen haer proven even dick.
Dat is een biertgen, dat is een nattgen,Meer dan de volgende vertaling is als commentaar wel niet nodig: ‘Dat is nog eens een biertje, echt een puik drankje! Een beter kan heus niet worden gebrouwd! Met plezier vul ik op deze manier mijn keelgat. Dat is nog eens een biertje, het puik van een drankje! Ik wou dat er voor een habbekrats een vaatje voor mij van te vullen was. Ik zou het dan met grote teugen drinken! Dat is nog eens een biertje, echt een heerlijk drankje! Een beter kan werkelijk niet worden gebrouwd!’. Proost! Dirk Coigneau
Geen beter soudemen brouwen moghen!
In sulck plasiertgen vol ick mijn gattgen,
Dat is een biertgen, dat is een nattgen,
Ick wou om een siertgen te vollen mijn vattgen,
So mocht ick dan drincken groote toghen.
Dat is een biertgen, dat is een nattgen,
Geen beter soudemen brouwen moghen!
Adres | Bankgegevens van het Verbond |
---|---|
’t Haantje 2, 4854 MV Bavel | BIC GEBABEBB |
Nederland | IBAN BE41 2930 3224 8010 |
Website | Druk |
---|---|
www.rederijkers.org | KLA4 Steunpunt Welzijn vzw |