0 Ten geleide







TEN GELEIDE

bij de uitgaven in 1994
In het "Jaarboek 1944" van de Koninklijke Souvereine Hoofdkamer "De Fonteine", verscheen van de hand van de heren A. Van Elslander, V. Speeckaert en J. De Vuyst, respectievelijk griffier, archivaris en penningmeester van die hoofdkamer, een "Lijst van Zuid-Nederlandsche Rederijkerskamers uit de XVe en XVIe eeuw ". Het daarop volgend jaar publiceerden dezelfde auteurs de lijst van de Noord-Nederlandse Kamers.

In hun "Woord vooraf" schreven de samenstellers van deze lijsten: "...Wij bezitten ook geen enkele eenigszins volledige en betrouwbare lijst van de zoo talrijke Kamers die in de XVe en XVIe eeuw en ook later in de Nederlanden werkzaam zijn geweest... " en verder: "...Een nieuwe tabel, die de gegevens van Dr G.D. J. Schotel, Edm. Vander Straelen en van de Bibliotheca Belgica zou verwerken en tevens rekening zou houden met de onderzoekingen van de laatste jaren, behoort dus voorzeker tot de dringendste wenschelijk-heden... ".

Veertig jaar later, op 8 april 1984, richtten de "Rederijkers van Antwerpen" een congres in. Uit het verslag van de besprekingen in de discussiegroepen lichten we volgende zin: "...Men acht een inventarisatie van de verschillende (Rederijkerskamersnoodzakelijk... ".

Een jaar later was men nog geen stap verder, want in de besluiten van het congres 1985, dat plaats had te Leuven op 23 juni, vinden we: "... Wel dient er naar gestreefd dat een inventaris wordt gemaakt van de 'werkende' en de 'slapende' rederijkerskamers... ". Toen zetten we ons aan het werk. We bezochten het Rijksarchief te Brussel en gemeentelijke archieven in Vlaanderen en Nederland; we raadpleegden tientallen werken en kregen tips van talrijke confreers.

Tijdens ons speurwerk werd het vrij vlug duidelijk dat er drie reeksen (wij zouden bijna zeggen: drie generaties) rederijkers geweest zijn, nl.:
  • een eerste generatie, de oorspronkelijke rederijkers uit de XVe, XVIe en het begin van de XVIIe eeuw, die zelf hun stukken schreven en die speelden ter onstspanning van hun publiek. Zij namen hierbij standpunten in ten opzichte van de problemen uit hun tijd; hekelden wantoestanden zowel op kerkelijk als op politiek vlak en kwamen hierdoor in conflict met de overheid, die de kamers daarom in volle bloei nekte.
  • een tweede reeks, die vooral in Vlaanderen ontstond, bloeide in de XVIIIe eeuw. Ondanks de geringe letterkundige waarde van de meeste van hun produkten hadden ze toch een zo grote impact op hun publiek dat het Oostenrijks bewind ging bepalen welke stukken wél en welke niét mochten gespeeld worden. De Fransen dreven het nog verder: ze verboden opvoeringen in het Vlaams of legden de verplichting op ook Franstalig werk op te voeren; tot slot ontbonden ze zelfs talrijke kamers.
  • de derde generatie kwam vooral in Nederland in beweging. Bedoeling was: de bevordering van de Nederlandse letterkunde. In de provincie Groningen ging het er vooral om de taalvaardigheid van de "vlotte Hollanders" te benaderen. Organisatorisch schijnen ook zij zich geïnspireerd te hebben op de vroegere Rederijkerskamers. In Vlaanderen was het vooral een strijd voor het behoud van de moedertaal, die door de Frans-sprekende burgerij bedreigd werd. Zowel ten noorden als ten zuiden van de Moerdijk evolueerden deze rederijkers naar het amateurtoneel.
Aanvankelijk lag het in onze bedoeling een onderscheid te maken tussen erkende en niet erkende Kamers. Daar het archief van de Hoofdkamer "De Fonteine" in de loop van de eeuwen verdween kan men echter van veel kamers alleen zekerheid hebben over de erkening wanneer die terug te vinden is in het eigen kamerarchief, maar ook dat ging vaak verloren. Van onze eigen Kamer "Pax Vobis" uit Oudenaarde, weten we bv. dat ze door de stadsmagistraat op 3 juni 1490 tot "vrije Kamer" werd verheven, maar van een erkenning door een hoofdkamer vonden wij geen spoor. Dat ze in 1539 te Gent deelnam aan de grote wedstrijd uitgeschreven door "De Fonteine" zelf laat ons vermoeden... Welnu, het recht van "vermoeden" hebben we, waar officiële gegevens ontbreken, overgelaten aan iedereen die onze "inventaris" naslaagt. School- en straatgezelschappen, alsook "ghesellen van den spele" of"... vander stede" werden in principe niet opgenomen. Verenigingen ontstaan in de XlXe of de XXe eeuw zijn alleen vermeld wanneer wij ze uitdrukkelijk terugvonden met de naam "Rederijkerskamer", "Kamer van Rhetorica" of een dergelijke titel. Zo hebben wij de talrijke Nederlandse "Reciteercolleges", "Dichtgenootschappen" en andere "Dilettantenclubs" geweerd. Het werk: "Chambres de Rhétorique et sociétés dramatiques des Pays-Bas", de auteurs De Potter en Broeckaert, alsook Dr Schotel hebben we in de opgave van onze bronnen alleen vermeld wanneer we hun inlichtingen elders niet vonden of wanneer ze strijdig zijn met de andere bronnen.

Vielen onze opzoekingen in Vlaanderen nogal mee, heel wat moeilijker lag het voor ons op Nederlandse bodem te zanten. Daarom gaat onze bijzondere dank naar enkele bereidwillige Noorderburen, die ons flink behulpzaam waren. Tijdens het Rederijkerscongres 1990 te Oudenaarde maakten we kennis met de heer Ch. Ad. Schijve uit Zuidhorn (Groningen). Van hem kwamen we aan de weet dat hij opzoekingen verrichtte over de vele Rederijkerskamers, welke in de provincie Groningen ontstonden in de XlXe eeuw. De Heer Schijve was zo vriendelijk ons kennis te geven van zijn speurwerk, hoewel het nog niet eens was uitgegeven. Hij bracht ons ook in contact met Prof. dr. W. van den Berg, van de Universiteit van Amsterdam, Instituut voor Neerlandistiek. Onder toezicht van deze laatste als begeleidend docent verzamelde Anita de Bruijn een lijst van honderden rederijkerskamers, reciteercolleges, dilettantenclubs, toneelgezelschappen enz. in Nederland ontstaan in de XlXe eeuw. Dat eerste bestand werd vervolgens aanmerkelijk door de professor uitgebreid en verscheen onder de titel: "Negentiende-eeuwse rederijkerskamers, een inventarisatie" onder hun gezamenlijke verantwoordelijkheid in het tijdschrift "De Negentiende Eeuw", 16e Jaargang, Nr 4, december 1992.

Als basis voor ons klassement hebben wij de oorspronkelijke plaatsnamen gebruikt in hun huidige Nederlandse spelling, doch zonder rekening te houden met de voorzetsels De, Den, 's-, Sint, enz. Voor de gemeenten welke thans tot het Franstalig gebied behoren volgt de Franse naam tussen haakjes. Door de fusies van gemeenten zullen sommige oorspronkelijke plaatsnamen in de toekomst nog moeilijker te situeren zijn. Daarom hebben wij, zo veel mogelijk, de naam van de fusiegemeente vermeld. Ook de provincie waartoe de localiteit behoort is aangegeven, omdat meerdere plaatsnamen in meer dan één provincie bestaan. In elke gemeente werden de kamers vermeld in volgorde van hun ontstaan, behalve de hoofdkamers, welke vooraan geplaatst werden. Wat deze laatste betreft terloops volgende opmerking: van de tien hoofdkamers, welke in dit werk vermeld zijn droegen er slechts zes die titel in vroegere eeuwen, nl.:
  • De Vry Souvereyn hoofd-Gilde der Rhetoriken van Vlaenderen "De Fonteyne", Gent;
  • De Overste ende Souvereine Princelycke Camere van Rhetorycke "Jhesus met der Balsemblomme", Gent, die echter haar functie practisch niet kon uitoefenen;
  • De Rhétorique hooftgulde "Alpha en Omega", die veel kamers (vooral in de Westhoek en Frans-Vlaanderen) erkende tot groot ongenoegen van
  • De Hoofdcamere vander "Rhetorycken van den Heylichen Gheest'', Brugge;
  • De Hoofdrederijkerskamer "De Roose", Leuven, wiens bevoegdheid in 1715 betwist werd door haar stadsgenoten van de "Meesuete";
  • De Hooft-kamer van de Reden-ryck-konst "De Goudbloem", St-Niklaas.
Pas in de XXe eeuw werd de titel van hoofdkamer toegekend aan:
  • "De Catharinisten", Aalst, als hoofdkamer voor het Land van Aalst;
  • "De Violieren", Antwerpen, als hoofdkamer voor het Markizaat Antwerpen;
  • "Moyses' Bosch", 's-Hertogenbosch, als hoofdkamer voor Noord-Brabant;
  • "De Transfiguratie", Hulst, als hoofdkamer voor Zeeland.
De eerste kolom van onze lijst vermeldt de naam van de Kamer;
de tweede: a) de zinspreuk,
b) de schutspatroon;
in de derde kolom vindt men: a) de stichtingsdatum,
b) wanneer en door wie de kamer erkend werd of: wanneer en waar ze gedoopt werd,
c) jaar van het oudst gekend document;
in kolom vier: a) plaat en/of bladzijde waarop het blazoen is weergegeven of be schreven,
b) eventuele opmerkingen,
c) onze bronnen, aangeduid met het volgnummer waaronder ze vermeld zijn in onze "Bronnenlijst"
Voor de betekenis van de gebruikte afkortingen, ontplooi bladzijde 113.
Wat betreft onze verzameling reproducties van blazoenen gaat onze dank naar:
  • de heer M. Bot, hoofd van de dienst Culturele Zaken te Vlaardingen, die ons vriendelijk behulpzaam was bij het nemen van foto's van de blazoenverzameling bewaard in het stadhuis aldaar;
  • de heer Emiel Francois, Nieuwerkerken, die ons de foto's bezorgde van de blazoenen bewaard door 'Trou moet blijcken" uit Haarlem;
  • onze vriend André Maes, hoofdman van de Oudenaardse rederijkerskamer "Pax Vobis", die verschillende blazoenen voor ons fotografeerde;
  • alsook de heren Alfred Borms, Antwerpen; Jan Gallens, Waregem; Jan Ehren, 's-Hertogenbosch; Julien Goossens, Zoutleeuw; Jan Hoeckman, St-Amandsberg; F. W. 't Hooft, Noordwijk; Ghislain Masselus en Gilbert Milleville, Poperinge en Roger Van de Voorde, Anderlecht; ze waren ons behulpzaam bij het verzamelen van blazoenafbeeldingen.
We zijn er van overtuigd dat onze inventaris, spijts al onze inspanningen, onvolledig is. Er waren zoveel kamers en de meeste verdwenen in woelige tijden. Het kan dan ook niet anders dan dat er van talrijke onder hen geen bewijzen meer bewaard bleven. Verder zullen er ongetwijfeld nog wel bronnen aan onze aandacht ontsnapt zijn en een of ander vergeeld of half verrot document kan nog altijd op een zolder opduiken.
Toch hopen we dat ons werk niet nutteloos is geweest.

L. Vandevelde,
Voorzitter Verbond Kamers van Rhetorica, Vlaanderen-Nederland;
Prince van de Rhetoryke van den Heylichen Gheest "Pax Vobis", Oudenaarde